AccAnn bvba
Erkend Boekhouder BIBF 201793
Erkend Adviseur DNA-cheques 2004AI03658
Kwerpsebaan 266
B-3071 Erps-Kwerps
Tel: +32 02/759.21.60
Fax: +32 02/759.84.84
|
Goodwill |
||
|
Wat? Onder goodwill dient volgens het K.B. van 8 oktober 1976 de prijs te worden verstaan die betaald wordt voor de verwerving van een onderneming of een afdeling ervan voorzover die prijs hoger is dan de nettowaarde van de activabestanddelen minus de passivabestanddelen van de verworven onderneming of afdeling.Het betreft dus een meerwaarde die een bestaande onderneming vertoont boven de som van haar samenstellende delen doordat deze samengebracht en aangewend zijn om een onderneming te voeren en cliënteel aan te trekken. Het cliënteel omvat de handelsrelaties die een bedrijfsleider / zaakvoerder erop nahoudt met het oog op het maken van winst. Het is het geheel van personen die gewoontegetrouw afnemen van de onderneming omwille van de professionele kwaliteiten en/of een gunstige geografische ligging van het bedrijf. De geschiktheid om cliënteel aan te trekken en te behouden vindt haar oorsprong in de organisatie van de onderneming en in de reputatie van haar producten, koopwaar of diensten die aangeboden worden. In de mate dat een zekerheid wordt geboden omtrent het aantrekken, het verwerven en het behouden van afnemers, vertegenwoordigt het cliënteel, onder de vorm van winstmogelijkheden, een concrete waarde voor de overnemer. Vermits deze het cliënteel zal kunnen behouden en desgewenst uitbreiden door middel van de bestaande bedrijfsorganisatie, betekent dit dat zij voor overdracht vatbaar is. Ze drukt als het ware de verwachting uit dat cliënten uit het verleden ook in de toekomst cliënt zullen blijven. De onderneming is echter naast cliënteel en materiële elementen, ook samengesteld uit haar organisatie, haar reputatie, haar vestigingsplaats, aanwezige kennis en opgeleid personeel. Dit alles samen vormt de goodwill. Alhoewel het K.B. van 8 oktober 1976 niet toelaat dat door de onderneming zelf opgebouwd cliënteel, zonder aanwijsbare uitgaven, als actiefrubriek in de balans wordt opgenomen, noopt de overdracht ervan tot waardering. Afschrijven? Goodwill ressorteert volgens de boekhoudwetgeving onder de rubriek van de immateriële vaste activa met beperkte gebruiksduur die volgens een door het bestuursorgaan vastgesteld plan worden afgeschreven.Wordt de afschrijving van goodwill over meer dan vijf jaar gespreid, dan moet dit in de toelichting van de jaarrekening worden verantwoord. Op fiscaal gebied zijn, wat betreft de immateriële vaste activa, vanaf 1 januari 1990 geen degressieve afschrijvingen meer toegestaan en geldt algemeen een minimale afschrijvingstermijn van vijf jaar voor deze immateriële vaste activa. Is de aanschaffingsprijs nog niet definitief gekend, dan komt de grondslag voor de afschrijvingen, - niettegenstaande de juridische overdracht van het cliënteel plaatsgrijpt bij het afsluiten van de overeenkomst -, slechts tot stand naargelang de prijs definitief verschuldigd wordt. De Minister van Financiën bevestigde inmiddels dat cliënteel een immaterieel vast actief en dus een in principe afschrijfbaar bestanddeel vormt. Voorts stelde hij dat in de gevallen waar het mathematisch bewijs van de waardevermindering van de cliënteel moeilijk of zelfs onmogelijk kan worden geleverd, de afschrijving op forfaitaire wijze mag worden bepaald in overleg met de administratie. Kan terzake geen akkoord worden bereikt, dan bepaalt de administratie de afschrijvingen op een redelijke wijze, d.i. met inachtneming van een termijn van tien tot twaalf jaar. Blijkbaar gelden voor cliënteel afwijkende afschrijvingsregels volgens het fiscaal recht enerzijds en het boekhoudrecht anderzijds. Bovendien stelt zich de vraag of de redelijke termijn van tien tot twaalf jaar zich ook uitstrekt tot de goodwill in het algemeen. Nog steeds volgens de Minister: "Rekening houdend met het feit dat artikel 63 W.I.B.92 de immaterieel vaste activa in het algemeen beoogt en goodwill en cliënteel, met hun verschillende bewoordingen, eenzelfde economische realiteit inhouden, kan op fiscaal vlak niet worden gerechtvaardigd dat, omwille van de terminologie, terzake een verschillend afschrijvingsstelsel zou worden toegepast. Alhoewel een afschrijving over tien tot twaalf jaar als redelijk mag worden beschouwd, behoort het aan de taxatieambtenaren om contact op te nemen met de betrokken belastingplichtige en op grond van de feitelijke elementen van het geval, in gemeen overleg en op een redelijke wijze het aan te nemen afschrijvingspercentage vast te stellen, met dien verstande dat de belastingplichtige de bijzondere oorzaken van de ontwaarding die hij wenst aan te voeren moet aantonen." Wet: Art. 61 Afschrijvingen worden als beroepskosten aangemerkt naar de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffings of beleggingswaarde en voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan. Onder aanschaffings of beleggingswaarde wordt verstaan, volgens het geval, de aanschaffingsprijs, de vervaardigingsprijs, de inbrengwaarde of, met betrekking tot een recht van gebruik van materiële vaste activa waarover de onderneming bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of van opstal beschikt of met betrekking tot een gelijkaardig onroerend recht, het deel van de contractueel bepaalde termijnen dat overeenstemt met het weer samen te stellen kapitaal ter waarde van het goed waarop het contract of de overeenkomst betrekking heeft, met dien verstande dat deze begrippen de betekenis hebben die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. Recht: Antwerpen, 24 juni 1997 De fiscus was van mening dat de afschrijving van goodwill van een advocatenkantoor (dossiers, knowhow, naambekendheid, enz...) over tien jaar moest gebeuren. Advocaten leveren echter meestal eenmalige prestaties en advocaten hebben aldus geen hechte band met hun cliënteel. Een cliënt is vrij om tijdens en na een rechtsgeding een andere raadsman aan te spreken. Aldus ondergaat het ingebrachte cliënteel een snellere waardevermindering. Een termijn van vijf jaar voor afschrijving was dan ook redelijk. Antwerpen, 7 maart 2000 Ter gelegenheid van de inbreng van de praktijk van 2 geneesheren (specialisten) in een vennootschap, willen deze het ingebrachte cliënteel afschrijven over 5 jaar. De fiscus echter pretendeerde 10 jaar. De rechter concludeerde anders. Immers is er slechts kortstondig en eenmalig contact met de patiënten. Het cliënteel ondergaat aldus een snelle waardevermindering Luik 4 november 1998 Een juwelier moest echter akkoord gaan met een afschrijving op 10 jaar. Het Hof oordeelde dat omzet en winstmarge gedurende verscheidene jaren constant gebleven waren ondanks de komst van een concurrerende zaak ook 1 klant Het arrest van het Hof van Beroep Gent van 28 oktober 1999 betreft de overdracht aan een vennootschap van een éénmanszaak (zelfstandige vertegenwoordiging) die slechts voor één opdrachtgever werkzaam was. Het bestanddeel clientèle werd door de vennootschap-overnemer geactiveerd tegen de conventionele overnameprijs en lineair afgeschreven ad 20%. De administratie, gekend voor haar scepticisme ten aanzien van dergelijke overdrachten, betwist zowel de realiteit van de inbrengwaarde als de waardeverminderingen ter verantwoording van de afschrijvingen op fiscaal vlak. Zij stelt dat de belastingplichtige niet over eigen clientèle beschikte en enkel beroepskennis kon hebben overdragen. Als er sprake was van clientèle, dan kon dit enkel aan de opdrachtgever hebben toebehoord. De vennootschap-overnemer argumenteert dat zij optreedt als autonoom handelsagent, die door middel van een eigen organisatie en planning, de overgenomen clientèle bezoekt en verder uitbreidt, teneinde de orderportefeuille permanent op te volgen en te vernieuwen. Het Hof treedt deze zienswijze bij en besluit dat de ingebrachte goodwill aan een werkelijke cliënteel-waarde beantwoordde en aan waardevermindering onderhevig is. Volgens het Hof is het naast de normale rotatie en veroudering van de overgedragen orderportefeuille, niet uitgesloten dat agentuurovereenkomsten op een bepaald ogenblik opgezegd worden. Het feit dat de activiteiten van de vennootschap van één opdrachtgever afhankelijk zijn, impliceert bovendien een groter bedrijfsrisico. Zij acht een afschrijvingspercentage van 20% gerechtvaardigd. In de rechtspraak werd reeds meermaals gewezen op de afwijking tussen de fiscale definitie van het begrip afschrijvingen (art. 61 W.I.B.92) en de boekhoudkundige definitie (art. 12, lid 1 K.B. 08.10.76). Waar boekhoudkundig immateriële vaste activa worden afgeschreven over hun waarschijnlijke gebruiksduur, worden fiscaal slechts afschrijvingen aanvaard wanneer ze samengaan met een effectieve waardevermindering die zich in het belastbaar tijdperk heeft voorgedaan. Met betrekking tot dit laatste blijkt uit andere rechtspraak trouwens dat het voor de belastingplichtige volstaat de afschrijvingen rationeel te ramen en daarbij alle factoren in acht te nemen die tot een waardevermindering van de goodwill kunnen bijdragen. Het Hof bevestigt met voornoemd arrest eerdere rechtspraak dat stelt dat ook een éénmanszaak die slechts voor één opdrachtgever werkzaam is over clientèle kan beschikken dat voor overdracht en afschrijving vatbaar is. De omstandigheid dat het slechts één klant betreft, vormt met andere woorden geen beletsel inzake de afschrijfbaarheid. Overigens zijn voor een optimale verderzetting van de overgenomen werkzaamheden, de ganse organisatiestructuur waarop de activiteiten zijn gesteund, het netwerk van handelsrelaties en contacten, de knowhow, enz., minstens even onontbeerlijk. |
||
| © 2004 Book-IT bvba België | ||