AccAnn bvba
Erkend Boekhouder BIBF 201793
Erkend Adviseur DNA-cheques 2004AI03658
Kwerpsebaan 266
B-3071 Erps-Kwerps
Tel: +32 02/759.21.60
Fax: +32 02/759.84.84
|
Formaliteiten bij een overlijden |
|||
I. – ADMINISTRATIEVE FORMALITEITENAangifte van overlijden bij de burgerlijke stand Bij het overlijden van een persoon dient onmiddellijk een geneesheer verwittigd te worden (bij voorkeur de huisarts of in noodsituaties de dienst 100) teneinde het overlijden te laten vaststellen. Eenmaal het overlijden is vastgesteld bestaat de eerste administratieve formaliteit in de aangifte van het overlijden bij de burgerlijke stand. De aangifte dient te gebeuren op de burgerlijke stand van de gemeente waar de persoon overleden is (dus niet van de woonplaats). De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een overlijdensakte op op aangifte van twee getuigen (art. 78 B.W.). Dit document is het officiële bewijsstuk van het overlijden. De getuigen zijn zo mogelijk de twee naaste bloedverwanten of buren, of, wanneer iemand buiten zijn woning gestorven is, de persoon ten wiens huize hij overleden is en een bloedverwant of een ander persoon (art. 78 B.W.). In geval van overlijden in een ziekenhuis, zijn de oversten gehouden daarvan binnen de vierentwintig uur kennis te geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de overlijdensakte op, op grond van de verklaringen die hem zijn gedaan en de inlichtingen die hij heeft ingewonnen. Hij doet de akte van overlijden toekomen aan zijn ambtgenoot van de laatste woonplaats van de overledene die ze in de registers inschrijft (art. 80 B.W.) De overlijdensakte bevat volgende vermeldingen (art. 79 B.W.):
In het geval van een doodgeboren kind maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van aangifte van een levensloos kind (art. 80 bis B.W.). Van de overlijdensakte worden uittreksels afgeleverd aan de nabestaanden die ze kunnen gebruiken in het kader van andere te vervullen administratieve formaliteiten. Dergelijke uittreksels zijn kosteloos als ze bestemd zijn voor een sociaal doeleinde, zoals pensioenaanvraag, ziekenfonds, wezenbijslag enz. Het is aan te bevelen een voldoende aantal uittreksels van de overlijdensakte te laten afleveren. In de praktijk is het vaak de begrafenisondernemer die alle formaliteiten voor de aangifte van overlijden vervult. Hij laat zich hiervoor bijstaan door een tweede, meerderjarige persoon. Eén van de nabestaanden kan uiteraard ook zelf deze formalileit vervullen. Er dient dan bv. een familielid, buur of vriend meegenomen te worden als tweede meerderjarige getuige. De aangifte van overlijden dient zo spoedig als mogelijk gedaan te worden. De ambtenaar van de burgerlijke stand dient immers toestemming tot begraving of crematie te geven. Bij de aangifte van het overlijden dienen volgende documenten voorgelegd te worden:
Organisatie van de begrafenis Gelijktijdig met de aangifte van het overlijden wordt contact genomen met een begrafenisonderneming met het oog op de organisatie van de uitvaart. Op de website van de Vlaamse Autonome Raad voor het Uitvaartwezen, kan u terecht voor allerlei praktische info. De hoofdtaak van de begrafenisonderneming is uiteraard de begrafenis als dusdanig. Omtrent de wijze van lijkbezorging (begraving of crematie, de formaliteiten die daarbijte pas komen). Een moderne begrafenisonderneming doet echter veel meer dan de uitvaart en verleent doorgaans een full-service. Zo kan deze zich o.a. inlaten met:
De regels (o.a. termijn binnen dewelke de begrafenis dient plaats te vinden) en de kostprijs van allerhande formaliteiten verschillen sterk van gemeente tot gemeente. Men went zich best tot de gemeente om zich hierover te informeren. Heel wat gemeenten en steden beschikken tevens over goed uitgebouwde websites waar men eveneens terecht kan voor allerhande praktische info. Te contacteren personen en instellingen Hieronder volgt een (zo volledig mogelijke) check-list van personen, diensten en instellingen die in de dagen na het overlijden doorgaans dienen gecontacteerd te worden.
II. – HET LIJK EN DE LIJKBEZORGINGDat met het overlijden de persoonlijkheid, in de juridische betekenis van het woord, van een mens eindigt, betekent nog niet dat het stoffelijk overschot van de mens een zaak zou zijn. Het lijk is noch een persoon noch een zaak doch geniet een bijzondere bescherming in ons rechtssysteem. Er is een soort ongeschreven rechtsbeginsel van “recht op eerbied voor het lijk” dat ondermeer tot uiting komt in de wetgeving omtrent de lijkbezorging en deze omtrent de wegneming van organen en weefsels. De lijkbezorging Het Belgisch recht laat iedere persoon keuzevrijheid toe wat de wijze van de lijkbezorging betreft. De Wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, laatst gewijzigd door de Wet van 8 februari 2001 (hierna kortweg “Wet Lijkbezorging” genoemd) voorziet in haar artikel 15bis, §1 twee vormen van lijkbezorging: de begraving en de crematie gevolgd door een verstrooiing of bewaring van de as. Iedereen kan tijdens zijn leven vrijwillig een schriftelijke kennisgeving van zijn laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging richten tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn gemeente die ze inschrijft in het bevolkingsregister (art. 15bis, §2 Wet Lijkbezorging; K.B. van 2 augustus 1990 tot regeling van de inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling, laatst gewijzigd door het KB van 24 augustus 2001). Het is mogelijk om deze wens uit te drukken in een testament. Het is in dat geval evenwel aan te raden deze wilsbeschikking te bevestigen via de schriftelijke kennisgeving bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente daar zulks de administratieve afhandeling vergemakkelijkt. Het uitgangspunt van de Wet Lijkbezorging is dat het lichaam na de dood begraven wordt. Dit is tot op heden in onze Belgische samenleving inderdaad nog de meest voorkomende vorm van lijkbezorging. De wetgever heeft doorheen de jaren de wetgeving aangepast omdat steeds meer mensen zich laten cremeren. Voor een crematie is een uitdrukkelijke machtiging vereist die wordt verleend door de ambtenaar van de burgerlijke stand die het overlijden heeft vastgesteld, althans wanneer het overlijden in België plaatsvond (art. 20, §1 Wet Lijkbezorging). Vond het overlijden plaats in het buitenland dan wordt de machtiging afgeleverd door de procureur des Konings van het arrondissement waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt. De schriftelijke kennisgeving van laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging gericht tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente wordt gelijkgesteld met een machtigingsaanvraag (art. 15bis, §2, derde lid Wet Lijkbezorging. Geldt eveneens als een machtigingsaanvraag: Bij de aanvraag tot machtiging moet een attest gevoegd worden waarin de behandelende geneesheer of de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld, vermeldt of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdacht of niet vast te stellen oorzaak (art. 22, §1 Wet Lijkbezorging). De ambtenaar van de burgerlijke stand moet het dossier aan de procureur des Konings van het arrondissement zenden wanneer omstandigheden het vermoeden van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden wettigen of wanneer de geneesheer in een van de onder §1 voorgeschreven documenten niet heeft kunnen bevestigen dat er geen tekens of aanwijzingen van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden zijn. In dat geval kan de machtiging tot crematie eerst worden verleend nadat de procureur des Konings aan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft laten weten dat hij er zich niet tegen verzet. Wat de as na de lijkverbranding betreft, zijn er diverse mogelijkheden. We vinden ze terug in artikel 24 van de Wet Lijkbezorging. De drie laatst krachtens de wet van 8 februari 2001 bijgekomen opties zijn maar mogelijk indien de overledene dit schriftelijk heeft bepaald (of nog, op verzoek van de ouders indien het om een minderjarig kind gaat of, in voorkomend geval, op verzoek van de voogd). Krachtens artikel 1 van het uitvoerings-KB van 30 december 2001 wordt onder “schriftelijk” verstaan: Wat indien de overledene zelf geen laatste wilsbeschikkingen omtrent zijn wijze van lijkbezorging heeft nagelaten? Het beslissingsrecht komt dan in de regel toe aan de langstlevende echtgenoot. Deze geniet, zo blijkt uit de rechtspraak, niet over een absolute voorkeur. Wanneer de langstlevende echtgen(o)t(e) geen laatste wilsbeschikking van de overledene kan voorleggen en bovendien uit de verklaringen en omstandigheden aangehaald door andere naaste familieleden blijkt dat zij de wensen van de overledene het best gekend hebben, wordt aan dezen de voorkeur gegeven. Is er geen langstlevende echtgeno(o)t(e) dan wordt de feitelijke omstandigheden gekeken en geniet de persoon die geacht wordt het best de wens terzake van de overledene te kennen de voorkeur. Het wegnemen van organen en weefsels De wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen regelt de wegneming van organen en weefsels van het lichaam door een donor met het oog op het transplanteren ervan, voor therapeutische doeleinden, op het lichaam van een receptor, hierna de “Orgaantransplantatiewet” De wet kwam tot stand onder invloed van de Resolutie (78) 29 van het Ministercomité van de Raad van Europa de dato 11 mei 1978 houdende harmonisatie van de wetgeving van de Lidstaten m.b.t. de wegnemingen en transplantaties van bestanddelen van menselijke oorsprong. Het K.B. van 15 april 1988 betreffende de weefselbanken geeft hieraan nadere uitwerking evenals het K.B. van 24 november 1997 betreffende het wegnemen en toewijzen van organen van menselijke oorsprong. Dit laatste regelt de werking van centra voor orgaantransplantatie en de wijze betreffende het distribueren en afleveren/toewijzen van weggenomen organen aan ontvangers. De Orgaantransplantatiewet regelt zowel de wegneming van organen en weefsels tijdens het leven van de donor als na diens dood. De wetgever heeft in 1986 met de Orgaantransplantatiewet inzake de orgaanwegneming (bij een overledene) geopteerd voor een geen-bezwaar-systeem. Het systeem is gebaseerd op een solidariteitsgedachte. Men gaat er van uit dat iedereen bereid is zijn of haar organen na overlijden af te staan, behalve als men tijdens het leven uitdrukkelijk het tegengestelde heeft kenbaar gemaakt. In de meeste Europese landen wordt dit systeem toegepast. Concreet betekent het Belgisch systeem dat iedereen in principe potentieel donor postmortem is, tenzij uitdrukkelijk verzet tijdens zijn leven (art. 10, § 1 Orgaantransplantiewet). De toestemming van de donor wordt vermoed. De Belgische wetgever heeft geoordeeld dat dit systeem ethisch gerechtvaardigd is en dat het levensbelang van de zieke patiënt voorrang verdient op het belang van de overledene en zijn nabestaanden. wie valt onder dit systeem: Orgaanwegneming bij een persoon die onder het systeem valt is enkel toegelaten als volgende voorwaarden vervuld zijn: Uit het laatste blijkt dat de wetgever de “veronderstelde toestemming” van de overledene afzwakt door het recht van verzet van de nabestaanden. Heeft de overledene zelf geen bezwaar uitgedrukt, dan zal de arts de wegneming niet kunnen verrichten als de nabestaanden zich verzetten (art.10, §4, 3° van de Orgaantransplantatiewet Als nabestaanden komen enkel de verwanten in de eerste graad en de samenlevende echtgenoot in aanmerking. De nabestaanden kunnen echter geen verzet doen gelden tegen een uitdrukkelijke wilsbeschikking van de donor in. Bij het bestaan van dergelijke uitdrukkelijke wilsbeschikking moet er dan ook geen bijkomende instemming gevraagd worden aan de nabestaanden. Wie wil vermijden dat zijn nabestaanden verzet zouden kunnen uiten tegen de orgaanwegneming dient derhalve best in een testament een uitdrukkelijke clausule in die zin op te nemen. Alvorens tot wegneming kan overgegaan worden dient het overlijden van de donor vastgesteld te worden door een college van drie geneesheren die zich daarbij moeten laten leiden door de jongste stand van de wetenschap. Deze geneesheren moeten een proces-verbaal opstellen waarin het uur van het overlijden en de wijze waarop het is vastgesteld vermeld worden (art. 11 Orgaantransplantatiewet). Is de oorzaak van de dood onbekend of verdacht dan mag de wegneming van organen en weefsels slechts gebeuren nadat de Procureur des Konings daarover is geïnformeerd en zich er niet tegen verzet (art.13 Orgaantransplantatiewet). Personen die onder het toepassingsgebied van het systeem vallen, kunnen tijdens hun leven verzet tegen orgaanwegneming uiten. Enkel personen die minstens 18 jaar oud zijn en in staat zijn hun wil te doen kennen, kunnen dergelijk verzet uiten. Anderen kunnen het niet in hun plaats doen. Er bestaan evenwel uitzonderingen . Zo kan voor personen die niet in staat zijn hun wil te doen kennen het verzet geuit worden door hun wettelijke vertegenwoordiger of voorlopige bewindvoerder, of bij gebreke daarvan, door hun naaste verwanten. Ook voor minderjarigen heeft de wetgever een regeling uitgewerkt (art.10 Orgaantransplantatiewet). Het verzet wordt uitgedrukt bij het gemeentebestuur van de woonplaats van de betrokkene aan de hand van een in te vullen formulier (art. 1 en 2 van het K.B. van 30 oktober 1986, B.S., 14 februari 1987). Het gemeentebestuur registreert dit verzet op gestandaardiseerde wijze in zijn informatiebestand en maakt er melding van in het bevolkingsregister. Er wordt onverwijld mededeling gedaan van het geregistreerde verzet aan het Centrum voor Informatieverwerking van het Ministerie van Volksgezondheid dat dit verzet verwerkt in een nationaal register. De ziekenhuizen kunnen het register op ieder ogenblik raadplegen. Naast het verzet op de door de Koning geregelde wijze laat art. 10, §4, 2° Orgaantransplantatiewet de donor ook toe op een andere wijze zijn verzet kenbaar te maken. Concreet betekent dit dat de donor zich tijdens zijn leven op om het even welke wijze kan verzetten tegen de wegneming. Het volstaat dat dit verzet ondubbelzinnig wordt geuit. Vanzelfsprekend zal de geneesheer met dit verzet slechts rekening moeten houden voor zover hem daarvan kennis is gegeven. Het is bv. mogelijk in via testament verzet te uiten tegen orgaan- of weefselwegneming. Afstand van lijk De mogelijkheid van de tijdens het leven gedane afstand van zijn lijk voor geneeskundige of wetenschappelijke doeleinden wordt sinds lang aanvaard door onze rechtspraak. Ook hier dienen de nabestaanden de uitdrukkelijk geuite wil van de overledene te eerbiedigen. III. – FINANCIELE, JURIDISCHE EN FISCALE ASPECTENDe bank De nabestaanden nemen n.a.v. een overlijden best snel contact op met de financiële instelling(en) waar de overledene rekeningen of tegoeden had. De financiële instellingen dienen namelijk op de hoogte gebracht te worden van het overlijden teneinde hen toe te laten hun wettelijke verplichtingen na te leven. De bank zal immers zodra ze kennis heeft van het overlijden van haar cliënt diens rekeningen en tegoeden en gekoppelde bankkaarten, evenals die van de langstlevende echtgeno(o)t(e) blokkeren. Deze blokkeringsplicht is niet gestoeld op een civielrechtelijke verplichting maar is een gevolg van een resem aan derden (waaronder de banken) door het Wetboek van Successierechten opgelegde verplichtingen teneinde de correcte heffing van het successierecht te verzekeren. De banken dienen de ontvanger van de successierechten in te lichten over de rekeningnummers en de saldi op datum van overlijden. Dit gebeurt aan de hand van lijsten die ze, op daartoe speciaal voorgedrukte formulieren, aan de fiscale administratie overmaken. Pas nadat deze plicht tot informatieverstrekking werd nageleefd kan de bank de tegoeden op de financiële rekeningen uitkeren aan de nabestaanden. Ook de bankkluis van de overledene wordt in uitvoering van de successierechtelijke verplichtingen geblokkeerd. De bank dient tot een kofferopening over te gaan waarbij de fiscus op uitgenodigd wordt. Bij een dergelijke kofferopening kunnen zich problemen van technische aard voordoen. Pas nadat de koffer is geopend en de lijst met de inhoud werd bekendgemaakt aan de fiscale administratie kan de bank de goederen en/of documenten die zich in de koffer bevonden vrijgeven aan de erfgenamen. Het spreekt van zelf dat de bank eenmaal aan deze informatieplicht tegemoetgekomen, niet zomaar de financiële tegoeden of de inhoud van de koffer aan de nabestaanden zal overmaken. De financiële instelling zal zich immers slechts rechtsgeldig bevrijden wanneer ze elke erfgenaam correct ten belope van zijn erfdeel uitbetaalt, zoniet riskeert ze tweemaal te moeten betalen. De banken nemen in deze dan ook geen enkel risico en zullen, alvorens tot uitbetaling/afgifte over te gaan, de voorlegging vragen van een zgn. akte van bekendheid opgesteld door een notaris (of door een vrederechter). Door zich achter de akte van bekendheid te “verschuilen” kan de bankier immers bij eventuele misslag zich beroepen op artikel 1240 van het Burgerlijk Wetboek en stellen dat ze te goeder trouw heeft gehandeld. Bij het openvallen van een nalatenschap ondervinden de erfgenamen vaak moeilijkheden om de achterhalen bij welke bank de overledene cliënt was of een kluis huurde. Zonder die informatie is het voor de erfgenamen moeilijk om de nalatenschap correct te verdelen en om hun fiscale verplichtingen na te komen zoals het hoort. De Vereniging van Banken kan de erfgenamen helpen bij hun opzoekingen, mits zij (of hun advocaat of notaris) een schriftelijk aanvraag daartoe indienen. De notaris Na een overlijden wordt best zo spoedig mogelijk contact opgenomen met een notaris. Men kan bij hem terecht teneinde een aantal dringende juridische aangelegenheden te regelen n.a.v. het overlijden. Onze website kan u helpen bij uw zoektocht. Daarnaast kan u ook deze website raadplegen. Een van de eerste opdrachten van de notaris zal bestaan in het opsporen van een eventueel testament.
Het is belangrijk dat dit zo spoedig mogelijk na het overlijden gebeurt want het testament kan immers mogelijks instructies vanwege de overledene bevatten inzake de wijze van lijkbezorging (begraving of crematie). Het is tevens belangrijk in het kader van de juridische afwikkeling van de nalatenschap of de overledene al dan niet van de wettelijke regels inzake het erfrecht heeft afgeweken. Op grond van de Wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 (B.S., 6 mei 1977), moeten testamenten, evenals terugtrekkingen, herroepingen of wijzigingen hiervan, worden geregistreerd in het Centraal Register van Uiterste Wilsbeschikkingen, in de notariële praktijk kortweg “CRT” geheten. Deze registratievereiste werd ook uitgebreid tot de huwelijksovereenkomsten waarbij de aanstaande echtgenoten elkaar voor het geval van overleving het geheel of een gedeelte van de goederen waaruit hun nalatenschap zal bestaan toewijzen en die afwijken van de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen. Contractuele erfstellingen en bedingen van vooruitmaking en van ongelijke verdeling hebben immers ook een weerslag op de vereffening-verdeling van de nalatenschap. Eigenhandige testamenten die door de testator aan de notaris met het oog op bewaring toevertrouwd zijn, moeten eveneens in het CRT opgenomen worden, tenzij de testator zich hiertegen formeel en schriftelijk verzet. Na een overlijden kan een raadpleging van het register plaatsvinden op vertoon van een uittreksel uit de overlijdensakte (of van enig ander document waaruit het overlijden blijkt) via een speciaal formulier door het CRT vastgesteld (art. 7 en 8. KB 28 oktober 1977). Werd er daarentegen een onderhands testament opgesteld dan liggen de zaken moeilijker. De nabestaanden zullen dan zelf op zoek moeten gaan naar het bestaan van een eventueel testament. Eens een testament opgespoord dienen eventueel nog formaliteiten vervuld te worden waarbij de notaris bijstand zal verlenen : |
|||
| © 2004 Book-IT bvba België | |||