AccAnn bvba Erkend Boekhouder BIBF 201793 Erkend Adviseur DNA-cheques 2004AI03658 Kwerpsebaan 266 B-3071 Erps-Kwerps Tel: +32 02/759.21.60 Fax: +32 02/759.84.84
 

Formaliteiten bij een overlijden

 
 
  • Administratieve formaliteiten.
  • Het lijk en de lijkbezorging.
  • Financiële, juridische en fiscale aspecten.
  • I. – ADMINISTRATIEVE FORMALITEITEN

    Aangifte van overlijden bij de burgerlijke stand

    Bij het overlijden van een persoon dient onmiddellijk een geneesheer verwittigd te worden (bij voorkeur de huisarts of in noodsituaties de dienst 100) teneinde het overlijden te laten vaststellen.

    Eenmaal het overlijden is vastgesteld bestaat de eerste administratieve formaliteit in de aangifte van het overlijden bij de burgerlijke stand. De aangifte dient te gebeuren op de burgerlijke stand van de gemeente waar de persoon overleden is (dus niet van de woonplaats).

    De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een overlijdensakte op op aangifte van twee getuigen (art. 78 B.W.). Dit document is het officiële bewijsstuk van het overlijden. De getuigen zijn zo mogelijk de twee naaste bloedverwanten of buren, of, wanneer iemand buiten zijn woning gestorven is, de persoon ten wiens huize hij overleden is en een bloedverwant of een ander persoon (art. 78 B.W.).

    In geval van overlijden in een ziekenhuis, zijn de oversten gehouden daarvan binnen de vierentwintig uur kennis te geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de overlijdensakte op, op grond van de verklaringen die hem zijn gedaan en de inlichtingen die hij heeft ingewonnen. Hij doet de akte van overlijden toekomen aan zijn ambtgenoot van de laatste woonplaats van de overledene die ze in de registers inschrijft (art. 80 B.W.)

    De overlijdensakte bevat volgende vermeldingen (art. 79 B.W.):

    • de voornamen van de overledene
    • de naam van de overledene
    • de woonplaats van de overledene
    • de plaats en datum van geboorte van de overledene
    • de voornamen en de naam van de echtgenoot, indien de overledene gehuwd dan wel weduwnaar of weduwe was
    • de voornamen, de naam, de geboortedatum en de woonplaats van de aangevers en, eventueel, hun graad van verwantschap
    • de voornamen, de naam en de woonplaats van de ouders van de overledene - indien deze bekend zijn.

    In het geval van een doodgeboren kind maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van aangifte van een levensloos kind (art. 80 bis B.W.).

    Van de overlijdensakte worden uittreksels afgeleverd aan de nabestaanden die ze kunnen gebruiken in het kader van andere te vervullen administratieve formaliteiten. Dergelijke uittreksels zijn kosteloos als ze bestemd zijn voor een sociaal doeleinde, zoals pensioenaanvraag, ziekenfonds, wezenbijslag enz.

    Het is aan te bevelen een voldoende aantal uittreksels van de overlijdensakte te laten afleveren.

    In de praktijk is het vaak de begrafenisondernemer die alle formaliteiten voor de aangifte van overlijden vervult. Hij laat zich hiervoor bijstaan door een tweede, meerderjarige persoon. Eén van de nabestaanden kan uiteraard ook zelf deze formalileit vervullen. Er dient dan bv. een familielid, buur of vriend meegenomen te worden als tweede meerderjarige getuige.

    De aangifte van overlijden dient zo spoedig als mogelijk gedaan te worden. De ambtenaar van de burgerlijke stand dient immers toestemming tot begraving of crematie te geven.

    Bij de aangifte van het overlijden dienen volgende documenten voorgelegd te worden:

    • het attest van overlijden opgesteld door de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld
    • de identiteitskaart van de overledene
    • het rijbewijs van de overledene
    • het huwelijksboekje (voor ongehuwde overledenen het huwelijksboekje van de ouders)
    • voor niet-inwoners van de gemeente waarin het overlijden plaatsvond: een attest inzake de laatste wilsbeschikking afgeleverd door het gemeentebestuur van de laatste woonplaats

    Organisatie van de begrafenis

    Gelijktijdig met de aangifte van het overlijden wordt contact genomen met een begrafenisonderneming met het oog op de organisatie van de uitvaart.

    Op de website van de Vlaamse Autonome Raad voor het Uitvaartwezen, kan u terecht voor allerlei praktische info.

    De hoofdtaak van de begrafenisonderneming is uiteraard de begrafenis als dusdanig. Omtrent de wijze van lijkbezorging (begraving of crematie, de formaliteiten die daarbijte pas komen).

    Een moderne begrafenisonderneming doet echter veel meer dan de uitvaart en verleent doorgaans een full-service.

    Zo kan deze zich o.a. inlaten met:

    • het lijkenvervoer
    • de kontakten met de gemeente in het kader van de begrafenis
    • de aanvraag van een gemeentelijke concessie
    • de organisatie van de kerkdienst
    • het drukwerk van de rouwberichten
    • eventuele necrologieën in kranten
    • de koffiemaaltijd
    • ...

    De regels (o.a. termijn binnen dewelke de begrafenis dient plaats te vinden) en de kostprijs van allerhande formaliteiten verschillen sterk van gemeente tot gemeente. Men went zich best tot de gemeente om zich hierover te informeren. Heel wat gemeenten en steden beschikken tevens over goed uitgebouwde websites waar men eveneens terecht kan voor allerhande praktische info.

    Te contacteren personen en instellingen

    Hieronder volgt een (zo volledig mogelijke) check-list van personen, diensten en instellingen die in de dagen na het overlijden doorgaans dienen gecontacteerd te worden.

    • De bankinstelling: hier kan u meteen of aan de zicht- of spaarrekening geen tussenkomst of uitkering van een bepaalde som gekoppeld is in geval van overlijden.
    • De notaris
    • De werkgever zodat deze naar het sociaal secretariaat toe alle formaliteiten kan vervullen. Navraag naar de nog uit te keren lonen of wedden, vergoedingen, vakantiegeld en de nog uit te reiken bijdragebons voor de ziekteverzekering enz...
      In grote ondernemingen is een sociale- of personeelsdienst met de afhandeling van dergelijke zaken belast. Sommige ondernemingen verstrekken eveneens toelagen aan de nabestaanden van een overleden personeelslid (bijdrage in de begrafeniskosten, bijkomend overlevingspensioen, kapitaal van de groepsverzekering).
      Het nog uit te keren vakantiegeld omvat zowel het vakantiegeld voor het voorbije vakantiedienstjaar, voor zover het nog niet werd uitbetaald, als het vakantiegeld verschuldigd voor het lopende dienstjaar in verhouding tot de periode waarin arbeid werd gepresteerd en tot het ontvangen loon.
    • Vakantiefonds: De rechthebbenden van een overleden arbeider moeten de uitbetaling van vakantiegelden niet aan de werkgever vragen, maar aan het vakantiefonds, waarbij deze is aangesloten.
    • De verzekeringsmaatschappijen met wie de overledene contracten had afgesloten dienen opgespoord en gecontacteerd te worden teneinde de uitkering van de verzekerde kapitalen te bekomen
      • hospitalisatie-verzekering
      • begrafenisverzekering
      • levensverzekering
      • groepsverzekering
      • schuldsaldoverzekering
      • ...
    • Ziekenfonds: om na te gaan of er eventuele tussenkomsten zijn.
    • Kinderbijslagfonds: daar kan eventueel in het voordeel van de kinderen naar aanleiding van het overlijden van een der ouders een verhoogd recht op kinderbijslag of een soort wezenbijslag ontstaan.
    • schuldeisers: Zowel financiële instellingen die kredieten verstrekt hebben, maar ook commerciële schuldeisers

      Wat bancaire kredieten en/of leningen betreft dient nagegaan te worden of al dan niet de maandelijkse aflossingen kunnen gestaakt worden. Bv. indien het krediet/de lening gedekt was door een schuldsaldoverzekering die voor gevolg heeft dat de verzekeringsmaatschappij n.a.v. het overlijden het nog openstaande kredietsaldo integraal aflost.

    • Boekhouder/accountant/fiscalist: indien de overledene een ondernemer was, hetzij op zelfstandige basis hetzij als bestuurder/zaakvoerder/vennoot in een handelsvennootschap. Zodoende kunnen op zakelijk vlak de nodige stappen gezet
      • schrapping van handelsregisternummer
      • aangifte van stopzetting van werkzaamheden bij de BTW-administratie
      • kontakten met de belangrijkste schuldeisers
      • liquidatie of verkoop van de handelszaak
      • ontbinding of verkoop van de vennootschap
      • door te voeren statutenwijziging
      • ...
    • Pensioenkas: Indien de overledene reeds op pensioen was, moet er een overlijdensuittreksel en een begeleidend schrijven aan de pensioenkas gestuurd worden. Was de overledene nog niet gepensioneerd, dan moet de weduwe of weduwnaar een overlevingspensioen aanvragen.
    • De verhuurder
    • De vakbondsorganisatie: Niet zelden voorzien zij in een tussenkomst n.a.v. een overlijden
    • Was het overlijden het gevolg van arbeidsongeval of beroepsziekte dan dienen ook de daartoe bevoegde instanties gecontacteerd te worden daar de erfgenamen aanspraak kunnen maken op bepaalde uitkeringen.
    • Nutsbedrijven (water-, gas-, electriciteit-, telefoon-, kabelmaatschappij): om de rekeningen af te sluiten of op naam van de onverdeelde erfgenamen te plaatsen.
    • Ontvanger van de successierechten: De fiscus zelf hoeft door de erfgenamen niet in kennis gesteld te worden van het overlijden. Deze wordt automatisch door de gemeenten ingelicht. In uitvoering van art. 5 van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten moet het College van Burgemeester en Schepenen, voor de 15de van elke maand, aan het kantoor der successierechten waaronder de gemeente ressorteert een staat overmaken ( opgemaakt volgens een door het Ministerie van Financiën vastgesteld model), van al de tijdens de vorige maand aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aangegeven sterfgevallen.
    • II. – HET LIJK EN DE LIJKBEZORGING

      Dat met het overlijden de persoonlijkheid, in de juridische betekenis van het woord, van een mens eindigt, betekent nog niet dat het stoffelijk overschot van de mens een zaak zou zijn. Het lijk is noch een persoon noch een zaak doch geniet een bijzondere bescherming in ons rechtssysteem. Er is een soort ongeschreven rechtsbeginsel van “recht op eerbied voor het lijk” dat ondermeer tot uiting komt in de wetgeving omtrent de lijkbezorging en deze omtrent de wegneming van organen en weefsels.

      De lijkbezorging

      Het Belgisch recht laat iedere persoon keuzevrijheid toe wat de wijze van de lijkbezorging betreft.

      De Wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, laatst gewijzigd door de Wet van 8 februari 2001 (hierna kortweg “Wet Lijkbezorging” genoemd) voorziet in haar artikel 15bis, §1  twee vormen van lijkbezorging: de begraving en de crematie gevolgd door een verstrooiing of bewaring van de as.

      Iedereen kan tijdens zijn leven vrijwillig een schriftelijke kennisgeving van zijn laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging richten tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn gemeente die ze inschrijft in het bevolkingsregister (art. 15bis, §2 Wet Lijkbezorging; K.B. van 2 augustus 1990 tot regeling van de inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling, laatst gewijzigd door het KB  van 24 augustus 2001).

      Het is mogelijk om deze wens uit te drukken in een testament. Het is in dat geval evenwel aan te raden deze wilsbeschikking te bevestigen via de schriftelijke kennisgeving bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente daar zulks de administratieve afhandeling vergemakkelijkt.

      Het uitgangspunt van de Wet Lijkbezorging is dat het lichaam na de dood begraven wordt. Dit is tot op heden in onze Belgische samenleving inderdaad nog de meest voorkomende vorm van lijkbezorging.

      De wetgever heeft doorheen de jaren de wetgeving aangepast omdat steeds meer mensen zich laten cremeren.

      Voor een crematie is een uitdrukkelijke machtiging vereist die wordt verleend door de ambtenaar van de burgerlijke stand die het overlijden heeft vastgesteld, althans wanneer het overlijden in België plaatsvond (art. 20, §1 Wet Lijkbezorging). Vond het overlijden plaats in het buitenland dan wordt de machtiging afgeleverd door de procureur des Konings van het arrondissement waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt.
      Een aanvraag daartoe wordt ondertekend door degene die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien of door zijn gemachtigde (art. 21, §1, eerste lid Wet Lijkbezorging).

      De schriftelijke kennisgeving van laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging gericht tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente wordt gelijkgesteld met een machtigingsaanvraag (art. 15bis,  §2, derde lid Wet Lijkbezorging.

      Geldt eveneens als een machtigingsaanvraag:
      een akte die voldoet aan de voorwaarden inzake bekwaamheid en gesteld is in de vorm van akten van uiterste wilsbeschikking, waarbij de overledene de uitdrukkelijke wens te kennen geeft zijn stoffelijk overschot te doen verbranden (art. 21,§1, tweede lid Wet Lijkbezorging). Bv. een testament waarin de overledene heeft te kennen gegeven gecremeerd te willen worden.

      Bij de aanvraag tot machtiging moet een attest gevoegd worden waarin de behandelende geneesheer of de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld, vermeldt of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdacht of niet vast te stellen oorzaak (art. 22, §1 Wet Lijkbezorging).

      De ambtenaar van de burgerlijke stand moet het dossier aan de procureur des Konings van het arrondissement zenden wanneer omstandigheden het vermoeden van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden wettigen of wanneer de geneesheer in een van de onder §1 voorgeschreven documenten niet heeft kunnen bevestigen dat er geen tekens of aanwijzingen van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden zijn. In dat geval kan de machtiging tot crematie eerst worden verleend nadat de procureur des Konings aan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft laten weten dat hij er zich niet tegen verzet.

      Wat de as na de lijkverbranding betreft, zijn er diverse mogelijkheden. We vinden ze terug in artikel 24 van de Wet Lijkbezorging.

      • de as wordt in een urne geplaatst en op de gemeentelijke begraafplaats begraven
      • de as wordt in een urne geplaatst en in het columbarium op de gemeentelijke begraafplaats bijgezet
      • de as wordt uitgestrooid op een daartoe bestemd perceel van de gemeentelijke begraafplaats
      • de as wordt uitgestrooid op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee
      • de as wordt uitgestrooid op een andere plaats dan de begraafplaats
        Deze uitstrooiing kan niet gebeuren op het openbaar domein. Indien men tot uitstrooiing wenst over te gaan op een terrein dat niet de eigendom van de overledene of van zijn nabestaanden is dan is een voorafgaande en schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist. De asuitstrooiing dient aansluitend op de crematie te gebeuren.
      • de as (in urne) wordt begraven op een andere plaats dan de gemeentelijke begraafplaats
        Ook deze begraving kan niet gebeuren op het openbaar domein. In men tot begraving wenst over te gaan op een terrein dat niet de eigendom van de overledene of van zijn nabestaanden is dan is een voorafgaande en schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist. De begraving dient aansluitend op de crematie te gebeuren.
      • de as wordt in een urne ter beschikking gesteld van de nabestaanden om te worden bewaard op een andere plaats dan de gemeentelijke begraafplaats
        Indien er een einde komt aan deze bewaring buiten de gemeentelijke begraafplaats, dan wordt de as door toedoen van de nabestaande die er de zorg voor heeft (of zijn erfgenamen bij zijn overlijden), ofwel naar de gemeentelijke begraafplaats gebracht om er te worden begraven, in een columbarium bijgezet of uitgestrooid te worden of nog op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee uitgestrooid.

      De drie laatst krachtens de wet van 8 februari 2001 bijgekomen opties zijn maar mogelijk indien de overledene dit schriftelijk heeft bepaald (of nog, op verzoek van de ouders indien het om een minderjarig kind gaat of, in voorkomend geval, op verzoek van de voogd). Krachtens artikel 1 van het uitvoerings-KB van 30 december 2001 wordt onder “schriftelijk” verstaan:

      • de verklaring/ schriftelijke wilsuiting bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente zoals bedoeld door het KB van 2 augustus 1990
      • een testament
      • een ander geschreven document dat de overledene tijdens zijn leven aan een nabestaande of een vertrouwenspersoon ter hand heeft gesteld.

      Wat indien de overledene zelf geen laatste wilsbeschikkingen omtrent zijn wijze van lijkbezorging heeft nagelaten?

      Het beslissingsrecht komt dan in de regel toe aan de langstlevende echtgenoot. Deze geniet, zo blijkt uit de rechtspraak, niet over een absolute voorkeur. Wanneer de langstlevende echtgen(o)t(e) geen laatste wilsbeschikking van de overledene kan voorleggen en bovendien uit de verklaringen en omstandigheden aangehaald door andere naaste familieleden blijkt dat zij de wensen van de overledene het best gekend hebben, wordt aan dezen de voorkeur gegeven.

      Is er geen langstlevende echtgeno(o)t(e) dan wordt de feitelijke omstandigheden gekeken en geniet de persoon die geacht wordt het best de wens terzake van de overledene te kennen de voorkeur.

      Het wegnemen van organen en weefsels

      De wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen regelt de wegneming van organen en weefsels van het lichaam door een donor met het oog op het transplanteren ervan, voor therapeutische doeleinden, op het lichaam van een receptor, hierna de “Orgaantransplantatiewet”

      De wet kwam tot stand onder invloed van de Resolutie (78) 29 van het Ministercomité van de Raad van Europa de dato 11 mei 1978 houdende harmonisatie van de wetgeving van de Lidstaten m.b.t. de wegnemingen en transplantaties van bestanddelen van menselijke oorsprong. Het K.B. van 15 april 1988 betreffende de weefselbanken geeft hieraan nadere uitwerking evenals het K.B. van 24 november 1997 betreffende het wegnemen en toewijzen van organen van menselijke oorsprong. Dit laatste regelt de werking van centra voor orgaantransplantatie en de wijze betreffende het distribueren en afleveren/toewijzen van weggenomen organen aan ontvangers.

      De Orgaantransplantatiewet regelt zowel de wegneming van organen en weefsels tijdens het leven van de donor als na diens dood.

      De wetgever heeft in 1986 met de Orgaantransplantatiewet inzake de orgaanwegneming (bij een overledene) geopteerd voor een geen-bezwaar-systeem. Het systeem is gebaseerd op een solidariteitsgedachte. Men gaat er van uit dat iedereen bereid is zijn of haar organen na overlijden af te staan, behalve als men tijdens het leven uitdrukkelijk het tegengestelde heeft kenbaar gemaakt. In de meeste Europese landen wordt dit systeem toegepast.

      Concreet betekent het Belgisch systeem dat iedereen in principe potentieel donor postmortem is, tenzij uitdrukkelijk verzet tijdens zijn leven (art. 10, § 1 Orgaantransplantiewet). De toestemming van de donor wordt vermoed. De Belgische wetgever heeft geoordeeld dat dit systeem ethisch gerechtvaardigd is en dat het levensbelang van de zieke patiënt voorrang verdient op het belang van de overledene en zijn nabestaanden.

      wie valt onder dit systeem:

      • de Belgen en de vreemdelingen die in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente zijn ingeschreven
      • de vreemdelingen die sedert meer dan zes maanden in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven.

      Orgaanwegneming bij een persoon die onder het systeem valt is enkel toegelaten als volgende voorwaarden vervuld zijn:

      • de overledene heeft tijdens zijn leven geen verzet geuit tegen deze orgaanwegneming, noch via het geörganiseerde systeem van verzet noch op een andere wijze waarvan kennis is gegeven aan de geneesheer dit tot wegneming wenst over te aan
      • er is aan de betrokken geneesheer geen verzet tegen de orgaanwegneming meegedeeld door een nabestaande van de overledene.

      Uit het laatste blijkt dat de wetgever de “veronderstelde toestemming” van de overledene afzwakt door het recht van verzet van de nabestaanden. Heeft de overledene zelf geen bezwaar uitgedrukt, dan zal de arts de wegneming niet kunnen verrichten als de nabestaanden zich verzetten (art.10, §4, 3° van de Orgaantransplantatiewet

      Als nabestaanden komen enkel de verwanten in de eerste graad en de samenlevende echtgenoot in aanmerking.

      De nabestaanden kunnen echter geen verzet doen gelden tegen een uitdrukkelijke wilsbeschikking van de donor in. Bij het bestaan van dergelijke uitdrukkelijke wilsbeschikking moet er dan ook geen bijkomende instemming gevraagd worden aan de nabestaanden.

      Wie wil vermijden dat zijn nabestaanden verzet zouden kunnen uiten tegen de orgaanwegneming dient derhalve best in een testament een uitdrukkelijke clausule in die zin op te nemen.

      Alvorens tot wegneming kan overgegaan worden dient het overlijden van de donor vastgesteld te worden door een college van drie geneesheren die zich daarbij moeten laten leiden door de jongste stand van de wetenschap. Deze geneesheren moeten een proces-verbaal opstellen waarin het uur van het overlijden en de wijze waarop het is vastgesteld vermeld worden (art. 11 Orgaantransplantatiewet).

      Is de oorzaak van de dood onbekend of verdacht dan mag de wegneming van organen en weefsels slechts gebeuren nadat de Procureur des Konings daarover is geïnformeerd en zich er niet tegen verzet (art.13 Orgaantransplantatiewet).

      Personen die onder het toepassingsgebied van het systeem vallen, kunnen tijdens hun leven verzet tegen orgaanwegneming uiten.

      Enkel personen die minstens 18 jaar oud zijn en in staat zijn hun wil te doen kennen, kunnen dergelijk verzet uiten. Anderen kunnen het niet in hun plaats doen. Er bestaan evenwel uitzonderingen . Zo kan voor personen die niet in staat zijn hun wil te doen kennen het verzet geuit worden door hun wettelijke vertegenwoordiger of voorlopige bewindvoerder, of bij gebreke daarvan, door hun naaste verwanten.

      Ook voor minderjarigen heeft de wetgever een regeling uitgewerkt (art.10 Orgaantransplantatiewet).

      Het verzet wordt uitgedrukt bij het gemeentebestuur van de woonplaats van de betrokkene aan de hand van een in te vullen formulier (art. 1 en 2 van het K.B. van 30 oktober 1986, B.S., 14 februari 1987). Het gemeentebestuur registreert dit verzet op gestandaardiseerde wijze in zijn informatiebestand en maakt er melding van in het bevolkingsregister. Er wordt onverwijld mededeling gedaan van het geregistreerde verzet aan het Centrum voor Informatieverwerking van het Ministerie van Volksgezondheid dat dit verzet verwerkt in een nationaal register. De ziekenhuizen kunnen het register op ieder ogenblik raadplegen.

      Naast het verzet op de door de Koning geregelde wijze laat art. 10, §4, 2° Orgaantransplantatiewet de donor ook toe op een andere wijze zijn verzet kenbaar te maken. Concreet betekent dit dat de donor zich tijdens zijn leven op om het even welke wijze kan verzetten tegen de wegneming.  Het volstaat dat dit verzet ondubbelzinnig wordt geuit. Vanzelfsprekend zal de geneesheer met dit verzet slechts rekening moeten houden voor zover hem daarvan kennis is gegeven.

      Het is bv. mogelijk in via testament verzet te uiten tegen orgaan- of weefselwegneming.

      Afstand van lijk

      De mogelijkheid van de tijdens het leven gedane afstand van zijn lijk voor geneeskundige of wetenschappelijke doeleinden wordt sinds lang aanvaard door onze rechtspraak. Ook hier dienen de nabestaanden de uitdrukkelijk geuite wil van de overledene te eerbiedigen.

      III. – FINANCIELE, JURIDISCHE EN FISCALE ASPECTEN

      De bank

      De nabestaanden nemen n.a.v. een overlijden best snel contact op met de financiële instelling(en) waar de  overledene rekeningen of tegoeden had. De financiële instellingen dienen namelijk op de hoogte gebracht te worden van het overlijden teneinde hen toe te laten hun wettelijke verplichtingen na te leven.

      De bank zal immers zodra ze kennis heeft van het overlijden van haar cliënt diens rekeningen en tegoeden en gekoppelde bankkaarten, evenals die van de langstlevende echtgeno(o)t(e) blokkeren.

      Deze blokkeringsplicht is niet gestoeld op een civielrechtelijke verplichting maar is een gevolg van een resem aan derden (waaronder de banken) door het Wetboek van Successierechten opgelegde verplichtingen teneinde de correcte heffing van het successierecht te verzekeren.

      De banken dienen de ontvanger van de successierechten in te lichten over de rekeningnummers en de saldi op datum van overlijden. Dit gebeurt aan de hand van lijsten die ze, op daartoe speciaal voorgedrukte formulieren, aan de fiscale administratie overmaken.

      Pas nadat deze plicht tot informatieverstrekking werd nageleefd kan de bank de tegoeden op de financiële rekeningen uitkeren aan de nabestaanden.

      Ook de bankkluis van de overledene wordt in uitvoering van de successierechtelijke verplichtingen geblokkeerd. De bank dient tot een kofferopening over te gaan waarbij de fiscus op uitgenodigd wordt.

      Bij een dergelijke kofferopening kunnen zich problemen van technische aard voordoen.
      Indien de nabestaanden de sleutel van de koffer kunnen terugvinden of op de hoogte zijn van de letter- en/of cijfercombinatie, stelt er zich geen probleem. Is zulks niet het geval, dan dient een slotenmaker ingeschakeld te worden die de koffer op professionele wijze zal moeten openbreken.

      Pas nadat de koffer is geopend en de lijst met de inhoud werd bekendgemaakt aan de fiscale administratie kan de bank de goederen en/of documenten die zich in de koffer bevonden vrijgeven aan de erfgenamen.

      Het spreekt van zelf dat de bank eenmaal aan deze informatieplicht tegemoetgekomen, niet zomaar de financiële tegoeden of de inhoud van de koffer aan de nabestaanden zal overmaken.

      De financiële instelling zal zich immers slechts rechtsgeldig bevrijden wanneer ze elke erfgenaam correct ten belope van zijn erfdeel uitbetaalt, zoniet riskeert ze tweemaal te moeten betalen.

      De banken nemen in deze dan ook geen enkel risico en zullen, alvorens tot uitbetaling/afgifte over te gaan, de voorlegging vragen van een zgn. akte van bekendheid opgesteld door een notaris (of door een vrederechter). Door zich achter de akte van bekendheid te “verschuilen” kan de bankier immers bij eventuele misslag zich beroepen op artikel 1240 van het Burgerlijk Wetboek en stellen dat ze te goeder trouw heeft gehandeld.

      Bij het openvallen van een nalatenschap ondervinden de erfgenamen vaak moeilijkheden om de achterhalen bij welke bank de overledene cliënt was of een kluis huurde. Zonder die informatie is het voor de erfgenamen moeilijk om de nalatenschap correct te verdelen en om hun fiscale verplichtingen na te komen zoals het hoort.

      De Vereniging van Banken kan de erfgenamen helpen bij hun opzoekingen, mits zij (of hun advocaat of notaris) een schriftelijk aanvraag daartoe indienen.

      De notaris

      Na een overlijden wordt best zo spoedig mogelijk contact opgenomen met een notaris. Men kan bij hem terecht teneinde een aantal dringende juridische aangelegenheden te regelen n.a.v. het overlijden.

      Onze website kan u helpen bij uw zoektocht. Daarnaast kan u ook deze website raadplegen.

      Een van de eerste opdrachten van de notaris zal bestaan in het opsporen van een eventueel testament. Het is belangrijk dat dit zo spoedig mogelijk na het overlijden gebeurt want het testament kan immers mogelijks instructies vanwege de overledene bevatten inzake de wijze van lijkbezorging (begraving of crematie). Het is tevens belangrijk in het kader van de juridische afwikkeling van de nalatenschap of de overledene al dan niet van de wettelijke regels inzake het erfrecht heeft afgeweken.
      Indien de overledene een authentiek testament had opgesteld of hij eigenhandig een onderhands testament had opgesteld en dit in bewaring had gegeven bij een notaris, dan liggen de zaken zeer eenvoudig. De notaris kan dan immers een databank van testamenten consulteren.

      Op grond van de Wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 (B.S., 6 mei 1977), moeten testamenten, evenals terugtrekkingen, herroepingen of wijzigingen hiervan, worden geregistreerd in het Centraal Register van Uiterste Wilsbeschikkingen, in de notariële praktijk kortweg “CRT” geheten.

      Deze registratievereiste werd ook uitgebreid tot de huwelijksovereenkomsten waarbij de aanstaande echtgenoten elkaar voor het geval van overleving het geheel of een gedeelte van de goederen waaruit hun nalatenschap zal bestaan toewijzen en die afwijken van de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen. Contractuele erfstellingen en bedingen van vooruitmaking en van ongelijke verdeling hebben immers ook een weerslag op de vereffening-verdeling van de nalatenschap.

      Eigenhandige testamenten die door de testator aan de notaris met het oog op bewaring toevertrouwd zijn, moeten eveneens in het CRT opgenomen worden, tenzij de testator zich hiertegen formeel en schriftelijk verzet.

      Na een overlijden kan een raadpleging van het register plaatsvinden op vertoon van een uittreksel uit de overlijdensakte (of van enig ander document waaruit het overlijden blijkt) via een speciaal formulier door het CRT vastgesteld (art. 7 en 8. KB 28 oktober 1977).

      Werd er daarentegen een onderhands testament opgesteld dan liggen de zaken moeilijker. De nabestaanden zullen dan zelf op zoek moeten gaan naar het bestaan van een eventueel testament.

      Eens een testament opgespoord dienen eventueel nog formaliteiten vervuld te worden waarbij de notaris bijstand zal verlenen :

      • KOFFEROPENING
        Bij kofferopeningen speelt de notaris in de praktijk vaak een coördinerende rol<
        Krachtens art. 98 W.Succ. mag de lijst die de bankinstelling n.a.v. een kofferopening dient op te stellen immers vervangen worden door een getrouwe en nauwkeurige inventaris van de effecten, waarden en voorwerpen die zich in de koffer bevinden en die wordt opgesteld door een notaris in de vormen bepaald door het Gerechtelijk Wetboek. In het praktijk gebeurt het geregeld dat de notaris wordt ingeschakeld met het oog op de opmaak van dergelijke inventaris aangezien het notariaat hiermee vertrouwd is. In dergelijke gevallen zal de notaris doorgaans ook instaan voor de materiële organisatie van een en ander, o.a. het binnen het wettelijk kader van artikel 98, laatste lid W.Succ., uitnodigen van de fiscale ambtenaar n.a.v. de kofferopening en de daarmee gepaard gaande inventarisatie.
        Het is belangrijk dat zo snel mogelijk de koffers worden opgespoord en dat tot de opening ervan wordt overgegaan. Ook in de bankkoffer kunnen immers documenten liggen die zeer belangrijk kunnen zijn in het kader van de juridische afwikkeling van de nalatenschap, zoals bv. een testament.
      • AKTE VAN BEKENDHEID
        Zowel met het oog op de vrijgave aan de erfgenamen van de financiële tegoeden door de financiële instellingen en door andere personen/instanties die gelden of waarden aan de afgestorvene verschuldigd waren, als met het oog op de overhandiging van de inhoud van de eventuele bankkoffer, is de opmaak van een akte van bekendheid een nuttig document.
        De akte vanbekendheid is een akte waarin de notaris, na de overledene en zijn erfgenamen geïdentificeerd te hebben,  de erfrechtelijke devolutie op een juridisch gemotiveerde wijze uiteenzet (o.a. door verwijzing naar het huwelijksvermogensstelsels en naar het eventueel testament) en aangeeft welke personen wat erven.
        Het spreekt dan ook vanzelf dat aan deze akte, die in de (bancaire) praktijk een zeer groot vertrouwen geniet en waarop derden zich baseren om zich van gelden en/of waarde die toebehoorden aan de overledene te ontdoen, door de notaris de nodig zorgt dient besteed te worden. De notaris riskeert professioneel aansprakelijk gesteld te worden voor onvolkomenheden of onjuistheden.
        Daar waar vroeger dergelijke akten van bekendheid doorgaans in aanwezigheid van getuigen werden opgesteld is dit thans in onbruik gebruikt. tegenwoordig zal de notaris eerder overgaan tot de opstelling van een eenzijdige akte van erfrechtverklaring die inhoudelijk hetzelfde bevat als een akte van bekendheid doch opgesteld worden door hem zelf zonder bijstand van getuigen.
        In kleinere successies en zodra de te deblokkeren gelden een bepaald maximumbedrag niet overschrijden, kan doorgaans reeds worden volstaan met een gewone brief vanwege de notaris waarin hij de erfrechtelijke devolutie uiteenzet.
        Een akte van bekendheid kan ook opgesteld worden door een vrederechter. In de praktijk wordt evenwel bij het openvallen van een nalatenschap eerder een beroep gedaan op de notaris daar deze doorgaans ook zal aangesteld worden met het oog op de voorbereiding van de aangifte van nalatenschap en de verdere afwikkeling van de vereffening van de nalatenschap.
      • VERZEGELING
        In bepaalde omstandigheden kan overwogen worden om tot een verzegeling over te gaan van het sterfhuis of van andere plaatsen waar zich roerende goederen bevinden die van de nalatenschap afhangen.
        De procedurale aspecten hiervan worden geregeld in de artikelen 1148 tot 1173 van het Gerechtelijk Wetboek.
        Tot verzegeling kan worden overgegaan telkens een “ernstig belang” aanwezig is en op vordering van (art. 1148 Ger.Wb.):
        • door een persoon die aanspraak maakt op een recht in de nalatenschap (of diens persoonlijke schuldeisers)
        • door schuldeisers van de nalatenschap
        • door personen die bij de overledene inwoonden of bij hem in dienst waren, indien de echtgenoot of de erfgenamen of een van hen niet tegenwoordig zijn
        • door de uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking
        De verzegeling wordt van de vrederechter gevorderd hetzij bij verzoekschrift, hetzij bij een mondelinge verklaring, waarvan de griffier akte opmaakt.
        Het verzoekschrift mag ondertekend worden door hetzij de verzoekende partij, hetzij door haar notaris hetzij door haar advocaat (art. 1149 Ger.Wb).
        De verzegeling zelf gebeurt door de vrederechter van het kanton waar zich de te verzegelen voorwerpen bevinden. Hij bedient zich van een bijzonder zegel, dat in zijn handen blijft en waarvan het merk ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg wordt neergelegd. Alle betrokken partijen mogen bij de eigenlijke verzegeling aanwezig zijn. Zij dienen er nochtans niet uitdrukkelijk toe opgeroepen te worden (art. 1152 Ger.Wb).
        De verzegeling geschiedt binnen de 24 uren na de vordering en in geval van dringende noodzakelijkheid kan de verzegeling zelfs op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag plaatsvinden (art. 1155 Ger.Wb).
        Er wordt een proces-verbaal van verzegeling opgemaakt waarvan de inhoud wettelijk vastligt (art. 1158 Ger.Wb).
        De betrokken partijen kunnen voor de verzegeling vorderen dat de vrederechter het testament of enig ander door hen aangeduid stuk opspoort (art.1160 Ger.Wb).
        De ontzegeling dient opnieuw aan de vrederechter gevraagd te worden (art. 1167 Ger.Wb). Zij wordt gevorderd bij een aan de vrederechter gericht verzoekschrift ondertekende door de verzoekende partij, haar notaris of haar advocaat (art. 1168 Ger.Wb). De rechter bepaalt bij beschikking, onderaan op het verzoekschrift, dag en uur van de verrichtingen.
        Een aantal personen dienen overeenkomstig art. 1168 Ger.Wb. aangemaand te worden om bij de ontzegeling, en de eventueel daarop aansluitende boedelbeschrijving, aanwezig te zijn.
        Tussen het tijdstip van de verzegeling en dat van de ontzegeling moeten ten minste drie dagen verlopen (art. 1170 Ger.Wb).
        Van de ontzegeling wordt eveneens een proces-verbaal opgesteld dat inhoudelijk een verplicht aantal elementen dient te bevatten (art.1173 Ger.Wb).
        De ontzegeling wordt onmiddellijk gevolgd door de opmaak van een boedelbeschrijving/inventaris door een daartoe door de vrederechter aangesteld notaris.
        De zegels kunnen niet gelegd worden op onlichamelijke roerende goederen zoals schuldvorderingen, waardepapieren enz. Nochtans kunnen deze ook een zeer belangrijke waarde vertegenwoordigen. Bij wijze van alternatieve oplossing voorziet het Gerechtelijk Wetboek voor dergelijke goederen in een afzonderlijke procedure bestaande in een rechterlijk verbod van betaling, teruggave of overdracht.
        Op grond van artikel 1174 Ger.Wb.>kan de vrederechter, die de vordering tot verzegeling heef toegewezen, bij beschikking gegeven op verzoek van ieder die bevoegd was om de verzegeling te vorderen, aan elke persoon die aan de nalatenschap sommen of waarden schuldig is of daarvan de bewaring heeft, verbieden ze terug te geven, te betalen of over te dragen.
      • BOEDELBESCHRIJVING
        Samen met de notaris kan overwogen worden om desgevallend tot de opmaak van een inventaris over te gaan bij authentieke akte. Zij wordt geregeld door de artikelen 1175 tot 1184 van het Gerechtelijk Wetboek. Een inventaris is niet altijd noodzakelijk, maar vaak nuttig.
        In een aantal gevallen is de opmaak van een notariële inventaris wel verplicht. Zo bv. wanneer men de nalatenschap wens te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving, (art.  794 B.W.)
        De opmaak van een boedelbeschrijving is ook vereist wanneer een minderjarige tot de erfgenamen behoort.
        Financieel adviseur

        Aangifte van nalatenschap en successierecht

        De opmaak en voorbereiding van de aangifte van nalatenschap vraagt de verzameling van allerlei informatie en documenten. Daartoe kan een notaris de nabestaanden een check-list overhandigen aan de hand waarvan ze de vereiste informatie kunnen bij mekaar zoeken, ventueel bijgestan door een boekhouder/accountant/fiscalist.

        Gevolgen inzake inkomstenbelastingen

        Een overlijden, althans indien de overledene geen alleenstaande was, heeft ook zijn effecten op het vlak van de aanslag in de inkomstenbelastingen.

        De algemene regel is dat in het jaar van de ontbinding van het huwelijk door overlijden, twee afzonderlijke aanslagen worden gevestigd. Het nadeel daarvan is dat de toepassing van de zgn. huwelijksquotiënt onmogelijk wordt. Tot voor kort werd dat opgevangen door een speciale toeslag op de belastingvrije som.

        Vanaf aanslagjaar 2002 wordt aan de langstlevende echtgenoot gewoon de keuze geboden tussen een gezamenlijke of een afzonderlijke aanslag. Wie onder de rubriek “persoonlijke gegevens” op de aangifte in de personenbelasting aankruist dat hij/zij weduwnaar of weduwe is, moet ook aankruisen of er één gemeenschappelijke aanslag gevestigd moet worden of twee afzonderlijke (Vak II.A.1 van de belastingaangifte).

        Kiest men voor de gemeenschappelijke aanslag, dan kiest men meteen ook voor alle fiscale voordelen van een gemeenschappelijke aanslag: huwelijksquotiënt (ongeacht de datum van overlijden), meewerkinkomen (tot de datum van het overlijden),compensatie van verliezen tussen echtgenoten en mogelijke overdracht van toeslagen op de belastingvrije som.

        Ook de afzonderlijke aanslag heeft zo zijn voordelen: hogere belastingvrije som voor elke echtgenoot, een hogere grens van de bestaansmiddelen om te bepalen of een kind nog ten laste is en geen toevoeging van de onroerende inkomsten van de partner aan het hoogste beroepsinkomen van de twee. Voor het invullen en een berekening (welk van de twee systemen het is het voordeligst ) kan u beroep doen op een boekhouder/accountant/fiscalist.

     
     
      © 2004 Book-IT bvba België