|
Wet van 30 juni 1994 betreffende het
auteursrecht en de naburige rechten
(Belgisch Staatsblad, 27 juli 1994)
Gewijzigd bij wet van 3 april 1995
houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en
de naburige rechten, B.S. 29.04.95
HOOFDSTUK I.
Auteursrecht
Afdeling 1.
Auteursrecht in het algemeen
Artikel 1.
§ 1.
Alleen de auteur van een werk van
letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm
ook te reproduceren of te laten reproduceren.
Dat recht omvat onder meer het
exclusieve recht om toestemming te geven tot het bewerken of het vertalen van
het werk.
Dat recht omvat ook het exclusieve
recht om toestemming te geven tot het verhuren of het uitlenen van het werk.
Alleen de auteur van een werk van
letterkunde of kunst heeft het recht om het werk volgens ongeacht welk procédé
aan het publiek mede te delen.
§ 2.
De auteur van een werk van letterkunde
of kunst heeft op dat werk een onvervreemdbaar moreel recht.
De globale afstand van de toekomstige
uitoefening van dat recht is nietig.
Het omvat ook het recht om het werk
bekend te maken.
Niet bekendgemaakte werken zijn niet
vatbaar voor beslag.
De auteur heeft het recht om het
vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren.
Hij heeft recht op eerbied voor zijn
werk en dat maakt het hem mogelijk zich te verzetten tegen elke wijziging
ervan.
Niettegenstaande enige afstand behoudt
hij het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere
wijziging van dit werk dan wel tegen enige andere aantasting van het werk, die
zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden.
Artikel 2.
§ 1.
Na het overlijden van de auteur blijft
het auteursrecht gedurende zeventig jaar bestaan ten voordele van de persoon
die hij daartoe heeft aangewezen of, indien dat niet is gebeurd, ten voordele
van zijn erfgenamen, overeenkomstig artikel 7.
§ 2.
Onverminderd het tweede lid van deze
paragraaf, wanneer een werk door twee of meer personen samen is gemaakt,
genieten al hun rechtverkrijgenden het auteursrecht tot zeventig jaar na de
dood van de langstlevende der auteurs.
De beschermingstermijn van een
audiovisueel werk verstrijkt zeventig jaar na de dood van de langstlevende van
de volgende personen: de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de
tekstschrijver en de auteur van muziekwerken met of zonder woorden die
speciaal voor het werk zijn gemaakt.
§ 3.
Voor anonieme of pseudonieme werken
bedraagt de duur van de rechten van de auteur zeventig jaar vanaf het tijdstip
waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.
Indien evenwel het door de auteur
aangenomen pseudoniem geen enkele twijfel over zijn identiteit laat of de
auteur zijn identiteit tijdens de in het eerste lid vermelde termijn kenbaar
maakt, geldt de in § 1 vastgestelde beschermingstermijn.
[ Voor anonieme en pseudonieme werken
die niet binnen zeventig jaar na hun totstandkoming op geoorloofde wijze voor
het publiek toegankelijk zijn gemaakt, vervalt de bescherming bij de
uitputting van die termijn (1)]
§ 4.
Voor werken die in verschillende
banden, delen, nummers of afleveringen gepubliceerd zijn en waarvan de termijn
van zeventig jaar ingaat op het tijdstip waarop het werk voor het publiek
toegankelijk is gemaakt, loopt de beschermingstermijn voor elk onderdeel
afzonderlijk.
§ 5.
De beschermingstermijn van foto's die
oorspronkelijk zijn, in de zin dat zij een eigen intellectuele schepping van
de auteur zijn, wordt vastgesteld overeenkomstig de voorgaande paragrafen.
§ 6.
Een ieder die na het verstrijken van de
auteursrechtelijke bescherming een niet eerder gepubliceerd werk voor het
eerst op geoorloofde wijze publiceert of op geoorloofde wijze aan het publiek
meedeelt, geniet een bescherming die gelijkwaardig is met die van de
vermogensrechten van de auteur. De beschermingstermijn van deze rechten
bedraagt vijfentwintig jaar vanaf het tijdstip waarop het werk voor het eerst
op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek
meegedeeld is.
§ 7.
De in dit artikel gestelde termijnen
worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de
rechten doet ontstaan.
Artikel 3.
§ 1.
De vermogensrechten zijn roerende
rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of
gedeeltelijke overdracht, volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
Zij kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie
worden ondergebracht.
Ten aanzien van de auteur worden alle
contracten schriftelijk bewezen.
De contractuele bedingen met betrekking
tot het auteursrecht en de exploitatiewijzen ervan moeten restrictief worden
geinterpreteerd. De overdracht van het voorwerp dat een werk omvat, leidt niet
tot het recht om het werk te exploiteren; met het oog op de uitoefening van
zijn vermogensrechten moet de auteur op een redelijke manier toegang tot zijn
werk behouden.
Voor elke exploitatiewijze moeten de
vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht
uitdrukkelijk worden bepaald.
De verkrijger van het recht moet het
werk overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren.
De overdracht van de rechten
betreffende nog onbekende exploitatievormen is nietig, niettegenstaande enige
daarmee strijdige bepaling.
§ 2.
De overdracht van de vermogensrechten
betreffende toekomstige werken geldt slechts voor een beperkte tijd en voor
zover het genre van de werken waarop de overdracht betrekking heeft, bepaald
is.
§ 3.
Wanneer een auteur werken tot stand
brengt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de
vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk
in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de creatie van het
werk binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt.
Wanneer een auteur werken tot stand
brengt ter uitvoering van een bestelling, kunnen de vermogensrechten worden
overgedragen aan degene die de bestelling heeft geplaatst voor zover deze
laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de
reclamewereld, voor zover het werk bestemd is voor die activiteit en
uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien.
In die gevallen zijn § 1, vierde tot
zesde lid, en § 2 niet van toepassing.
Het beding waarbij aan de verkrijger
van een auteursrecht het recht wordt toegekend om het werk te exploiteren in
een vorm die onbekend is op de datum van de arbeidsovereenkomst of van de
aanwerving onder statuut, moet uitdrukkelijk zijn en bepalen dat daaraan een
aandeel gekoppeld is in de door die exploitatie gemaakte winst.
De strekking van die overdracht en de
wijze waarop ze plaatsvindt, kunnen bij collectieve overeenkomst worden
bepaald.
Artikel 4.
Wanneer het auteursrecht
onverdeeld is, wordt de uitoefening ervan bij overeenkomst geregeld. Bij
gebreke van een overeenkomst mag geen van de auteurs het recht afzonderlijk
uitoefenen, behoudens rechterlijke beslissing in geval van onenigheid.
Iedere auteur blijft echter vrij om, in
zijn naam en zonder tussenkomst van de andere auteurs, wegens inbreuk op het
auteursrecht een rechtsvordering in te stellen en voor zijn deel
schadevergoeding te eisen.
De rechter kan te allen tijde de
machtiging tot publikatie van het werk afhankelijk stellen van de maatregelen
die hij nuttig acht; hij kan op verzoek van de auteur die zich tegen de
publikatie verzet, beslissen dat deze niet zal delen in de kosten en baten van
de exploitatie of dat zijn naam niet op het werk zal voorkomen.
Artikel 5 .
Wanneer een werk door twee of
meer personen samen is gemaakt, waarbij duidelijk kan worden opgemaakt welke
de individuele bijdrage van ieder der auteurs is, mogen de auteurs behoudens
andersluidende bepaling in het kader van dit werk met niemand anders
samenwerken.
Zij hebben evenwel het recht om hun
bijdrage afzonderlijk te exploiteren, voor zover deze exploitatie het
gemeenschappelijke werk niet in het gedrang brengt.
Artikel 6 .
De oorspronkelijke
auteursrechthebbende is de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd.
Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt
een ieder als auteur aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te
identificeren is, als dusdanig op het werk wordt vermeld.
De uitgever van een anoniem werk of van
een werk onder pseudoniem wordt ten aanzien van derden geacht de auteur
daarvan te zijn.
Artikel 7.
Na het overlijden van de
auteur worden de rechten bedoeld in artikel 1, § 1, tijdens de duur van de
bescherming van het auteursrecht uitgeoefend door zijn erfgenamen of
legatarissen, tenzij de auteur ze aan een bepaald persoon heeft toegekend, met
inachtneming van het wettelijk voorbehouden erfdeel dat aan de erfgenamen
toekomt.
De rechten bedoeld in artikel 1, § 2,
worden na het overlijden van de auteur uitgeoefend door zijn erfgenamen of
legatarissen, tenzij hij daartoe een welbepaald persoon heeft aangewezen.
Bij onenigheid geldt de regeling van
artikel 4.
Afdeling 2.
Bijzondere bepalingen betreffende de
werken van letterkunde
Artikel 8
§ 1.
Onder werken van letterkunde wordt
verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten,
redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte.
Redevoeringen uitgesproken in
vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen, in openbare terechtzittingen
van rechtscolleges of in politieke bijeenkomsten mogen evenwel vrijelijk
worden gereproduceerd en aan het publiek medegedeeld ; alleen de auteur heeft
echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven.
§ 2.
Er bestaat geen auteursrecht op
officiële akten van de overheid.
Afdeling 3.
Bijzondere bepalingen betreffende de
werken van beeldende kunst
Artikel 9.
Tenzij anders is
overeengekomen, wordt bij de overdracht van een werk van beeldende kunst aan
de verkrijger het recht overgedragen het werk als dusdanig tentoon te stellen,
in omstandigheden die geen afbreuk doen aan de eer of de faam van de auteur;
de andere auteursrechten worden echter niet overgedragen.
Tenzij anders is overeengekomen of
tenzij andere gebruiken heersen, heeft de overdracht van een werk van
beeldende kunst het verbod tot gevolg om er andere identieke exemplaren van te
maken.
Artikel 10.
De auteur of de eigenaar van
een portret dan wel enige andere persoon die een portret bezit of voorhanden
heeft, heeft niet het recht het te reproduceren of aan het publiek mede te
delen zonder toestemming van de geportretteerde of, gedurende twintig jaar na
diens overlijden, zonder toestemming van zijn rechtverkrijgenden.
Artikel 11.
De verkoper is aan de auteur
een onvervreemdbaar volgrecht verschuldigd dat wordt geïnd op het bedrag van
de verkoop bij toewijzing van de werken van beeldende kunst die openbaar
geveild worden.
De desbetreffende werken moeten een
oorspronkelijke schepping zijn van de auteur of de exemplaren die volgens de
beroepsgebruiken als dusdanig worden beschouwd.
Datzelfde recht komt toe aan de
erfgenamen en andere rechtverkrijgenden van de auteurs overeenkomstig de
artikelen 2 en 7 van deze wet.
De buitenlandse auteurs kunnen slechts
aanspraak maken op het volgrecht voor zover in hun land het
wederkerigheidsbeginsel wordt toegepast op de Belgische auteurs.
Artikel 12.
Het volgrecht wordt berekend
op de verkoopprijs, op voorwaarde dat die minimum 50 000 frank bedraagt. Het
wordt bepaald op 4 %.
Artikel 13.
De openbare ambtenaar, de
organisator van de verkoop of de verantwoordelijke voor de verkoop en de
verkoper zijn hoofdelijk verplicht de auteur of de vennootschap belast met het
beheer van zijn rechten binnen drie maanden na de verkoop in kennis te stellen
van die verkoop, en de verschuldigde rechten binnen dezelfde periode te
betalen.
Bij het verstrijken van die termijn
worden de bedragen die niet konden worden uitgekeerd, betaald aan de door de
Koning aangewezen beheersvennootschappen die de rechten zullen verdelen op de
door de Koning bepaalde wijze.
De vordering van de auteur verjaart
door verloop van drie jaren te rekenen van de kennisgeving bedoeld in het
eerste lid.
Afdeling 4.
Bijzondere bepalingen betreffende de
audiovisuele werken
Artikel 14.
Naast de hoofdregisseur worden
ook de natuurlijke personen die tot het werk hebben bijgedragen, als auteurs
van een audiovisueel werk beschouwd.
Behoudens tegenbewijs worden geacht
auteurs te zijn van een in samenwerking tot stand gebracht audiovisueel werk:
a) de scenarioschrijver;
b) de bewerker;
c) de tekstschrijver;
d) de grafische ontwerper van
animatiewerken of van animatiesequenties in een audiovisueel werk, die een
belangrijk deel van dat werk uitmaken;
e) de auteur van muziekwerken met of
zonder woorden die speciaal voor het audiovisueel werk gemaakt zijn.
De auteurs van het oorspronkelijke werk
worden gelijkgesteld met de auteurs van het nieuwe werk als de bijdrage van
eerstgenoemden in het nieuwe werk wordt gebruikt.
Artikel 15.
De auteur die weigert zijn
bijdrage tot het audiovisueel werk af te maken of niet bij machte is dat te
doen, kan zich niet verzetten tegen het gebruik van zijn bijdrage met het oog
op de voltooiing van het werk.
Voor die bijdrage wordt hij beschouwd
als auteur en geniet hij de rechten die daaruit voortvloeien.
Artikel 16.
Een audiovisueel werk wordt
als voltooid beschouwd wanneer de regisseur en de producent de definitieve
versie ervan in onderlinge overeenstemming hebben vastgesteld.
De auteurs kunnen hun morele rechten
pas laten gelden na voltooiing van het audiovisueel werk.
Het is verboden de moederband van die
versie te vernietigen.
Artikel 17.
Het verlenen van het recht om
van een bestaand werk een audiovisuele bewerking te maken, moet geregeld
worden in een afzonderlijk contract, los van het uitgavecontract betreffende
het werk.
Degene die het recht heeft verkregen,
verbindt zich het werk overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken te
exploiteren en, behoudens andersluidend beding, aan de auteur een vergoeding
uit te keren die in verhouding staat tot zijn bruto-ontvangsten.
Artikel 18.
De auteurs van een
audiovisueel werk alsmede de auteurs van een creatief element dat op
geoorloofde wijze in een audiovisueel werk is opgenomen of erin is verwerkt,
met uitzondering van de auteurs van muziekwerken, dragen, behoudens
andersluidend beding, aan de producenten het exclusieve recht op de
audiovisuele exploitatie van het werk over, met inbegrip van de rechten die
voor deze exploitatie noodzakelijk zijn, zoals het recht om het werk van
ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de
bepalingen van artikel 16 van deze wet.
Artikel 19.
Behoudens wat betreft de
audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector of tot de reclamewereld
behoren, hebben de auteurs voor elke wijze van exploitatie recht op een
afzonderlijke vergoeding.
Behoudens andersluidend beding wordt
het bedrag van de vergoeding bepaald in verhouding tot de bruto-ontvangsten
die uit de exploitatie voortvloeien . In dat geval bezorgt de producent, ten
minste eenmaal per jaar, aan alle auteurs een overzicht van hetgeen hij voor
elke wijze van exploitatie heeft ontvangen.
Artikel 20.
Het faillissement van de
producent, het gerechteliji akkoord dat hij heeft verkregen of de
invereffeningstelling van zijn bedrijf hebben niet de ontbinding van de
contracten met de auteur van het audiovisueel werk tot gevolg.
Wanneer de vervaardiging of de
exploitatie van het werk wordt voortgezet, moet de curator of de vereffenaar,
naar gelang van het geval, alle verplichtingen van de producent ten aanzien
van de auteurs nakomen.
Wordt het bedrijf geheel of
gedeeltelijk overgedragen dan wel vereffend, dan moet de curator of de
vereffenaar, naar gelang van het geval, een afzonderlijke kavel opmaken voor
elk audiovisueel werk waarvan de exploitatierechten kunnen worden overgedragen
of geveild.
Hij moet, op straffe van nietigheid,
elke andere producent van het werk, de regisseur en de andere auteurs bij
aangetekende brief op de hoogte brengen, ten minste een maand vóór de
overdracht tot stand komt of vóór enige andere verkoop, of veilingsprocedure
wordt ingezet.
De koper is tot dezelfde verplichtingen
gehouden als de overdrager.
De regisseur en, bij diens
ontstentenis, de andere auteurs hebben een recht van voorrang op het werk,
behalve indien een van de coproducenten verklaart koper te zijn. Bij gebreke
van overeenstemming wordt de koopprijs vastgesteld bij rechterlijke
beslissing.
Heeft een van de co-producenten niet
verklaard koper te zijn binnen een maand te rekenen van de kennisgeving, dan
kan de regisseur gedurende een maand zijn recht van voorrang uitoefenen. Na
het verstrijken van die termijn hebben de gezamenlijke auteurs een maand om
hun recht van voorrang uit te oefenen.
Uitoefening van dat recht geschiedt bij
deurwaardersexploot of bij aangetekende brief gericht aan de curator of de
vereffenaar, naar gelang van het geval.
Degenen die een recht van voorrang
genieten, kunnen daarvan afzien bij deurwaardersexploot of bij ter post
aangetekende brief gericht aan de curator.
Wanneer de producent zijn werkzaamheden
sedert meer dan twaalf maanden heeft stopgezet of wanneer de vereffening is
bekendgemaakt en meer dan twaalf maanden na de bekendmaking nog niet is
overgegaan tot de verkoop van het audiovisueel werk, kan elk van de auteurs
van dat werk de ontbinding van zijn contract vorderen.
Afdeling 5.
Uitzonderingen op de vermogensrechten
van de auteur
Artikel 21.
Korte aanhalingen uit een werk
dat op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, ten behoeve van kritiek,
polemiek of onderwijs, of in het kader van wetenschappelijke werkzaamheden
maken geen inbreuk op het auteursrecht, voor zover zulks geschiedt
overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken en het beoogde doel zulks wettigt.
De aanhalingen bedoeld in het vorige
lid moeten de bron en de naam van de auteur vermelden.
Voor het samenstellen van een
bloemlezing bestemd voor het onderwijs is de toestemming vereist van de
auteurs uit wier werk op die manier uittreksels worden samengebracht. Is de
auteur overleden, dan is de toestemming van de rechthebbende niet vereist, op
voorwaarde dat de keuze van het uittreksel, alsmede de presentatie en de
plaats ervan de morele rechten van de auteur in acht nemen en dat een billijke
vergoeding wordt betaald, die door de partijen wordt overeengekomen of anders
door de rechter overeenkomstig de eerlijke gebruiken wordt vastgesteld.
Artikel 22.
§ 1.
Wanneer het werk op geoorloofde wijze
openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen:
l. de reproduktie en de
mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte fragmenten
uit werken of van integrale werken van beeldende kunst in een verslag dat
over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht;
2. de reproduktie en de mededeling
aan het publiek van een werk tentoongesteld in een voor het publiek
toegankelijke plaats, wanneer het doel van de reproduktie of van de
mededeling aan het publiek niet het werk zelf is;
3. de kosteloze privé-mededeling in
familiekring;
4. de gedeeltelijke of integrale
reproduktie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte
fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn
vastgelegd, wanneer die reproduktie uitsluitend is bestemd voor
privé-gebruik of voor didactisch gebruik en geen afbreuk doet aan de uitgave
van het oorspronkelijke werk;
5. de reproduktie van geluidswerken
en audiovisuele werken, die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor
bestemd is:
6. een karikatuur, een parodie of een
pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;
7. de kosteloze uitvoering van een
werk tijdens een publiek examen, wanneer het doel van de uitvoering niet het
werk zelf is maar het beoordelen van de uitvoerder of de uitvoerders van het
werk met het oog op het verlenen van een kwalificatiegetuigschrift diploma
of titel binnen een erkende onderwijsvorm.
[8. de kopieën, dubbels, restauraties
en overzettingen, uitgevoerd door het Koninklijk Belgisch Filmarchief, met
het oog op de bewaring van het cinematografisch patrimonium en voor zover
hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk
en geen schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur.
De materialen die aldus worden
vervaardigd blijven eigendom van het Filmarchief, dat zichzelf ieder
commercieel of winstgevend gebruik ervan ontzegt. De auteur kan hiertoe
toegang krijgen, onder strikte inachtneming van de bewaring van het werk en
tegen een billijke vergoeding van het werk verricht door het
Filmarchief.(2)]
§ 2.
Wanneer het verslag over actuele
gebeurtenissen het werk zelf betreft, moeten de naam van de auteur en de titel
van het getoonde of aangehaalde werk worden vermeld.
Artikel 23.
§ 1.
De auteur kan de uitlening van werken
van letterkunde, partituren van muziekwerken, geluidswerken en audiovisuele
werken niet verbieden wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of
cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn
erkend of opgericht.
§ 2.
De uitlening van geluidswerken en
audiovisuele werken kan pas plaatsvinden zes maanden na de eerste verspreiding
van het werk onder het publiek.
Na raadpleging van de instellingen en
vennootschappen voor het beheer van de rechten, kan de Koning voor alle
fonogrammen en eerste vastleggingen van films of voor bepaalde daarvan de in
het vorige lid bedoelde termijn verlengen of verkorten.
[§ 3. De in § 1 bedoelde instellingen
die door de Koning worden aangewezen, mogen werken van letterkunde, geluids-
en audiovisuele werken alsook partituren van muziekwerken invoeren die voor
het eerst buiten de Europese Unie rechtmatig zijn verkocht en die op het
grondgebied van die Unie niet aan het publiek worden verdeeld, ingeval die
invoer geschiedt voor openbare uitleningen met een educatief of cultureel doel
en voor zover zulks geen betrekking heeft op meer dan vijf exemplaren of
partituren van het werk.(3)]
Afdeling 6.
Gemeenschappelijke bepaling
betreffende de geluidswerken en audiovisuele werken
Artikel 24.
De auteur die zijn recht
betreffende de verhuring van een geluidswerk of audiovisueel werk overdraagt
of afstaat, behoudt het recht op een billijke vergoeding voor de verhuring.
Van dat recht kan de auteur geen
afstand doen.
Afdeling 7.
Het uitgavecontract
Artikel 25.
Het uitgavecontract moet
bepalen uit hoeveel exemplaren de eerste oplage minimum zal bestaan.
Deze verplichting geldt evenwel niet
voor het contract waarin bedongen is dat een gewaarborgd minimum van
auteursrechten ten laste komt van de uitgever.
Artikel 26.
§ 1.
De uitgever moet de exemplaren van het
werk binnen de overeengekomen termijn produceren of laten produceren.
Is in het contract die termijn niet
vastgesteld, dan wordt die bepaald overeenkomstig de eerlijke
beroepsgebruiken.
Indien de uitgever zijn verplichting
niet nakomt binnen de hierboven gestelde termijnen en daarvoor geen wettige
reden van verschoning heeft, kan de auteur zijn overgedragen rechten
terugnemen, indien binnen zes maanden geen gevolg is gegeven aan een
ingebrekestelling die bij ter post aangetekende brief met ontvangbewijs is
opgestuurd.
§ 2.
De uitgever verbindt zich ertoe, tenzij
anders is bepaald, aan de auteur een vergoeding uit te keren die in verhouding
staat tot de bruto-ontvangsten.
Indien de auteur de uitgaverechten aan
de uitgever heeft overgedragen op zodanige voorwaarden dat, gelet op het
succes van het werk, de bedongen forfaitaire vergoeding kennelijk niet
evenredig is aan de winst bij de exploitatie van dat werk, moet de uitgever,
op verzoek van de auteur, de vergoeding wijzigen teneinde hem op billijke
wijze te laten delen in de winst. De auteur kan vooraf geen afstand doen van
dat recht.
§ 3.
De uitgever kan zijn contract niet
overdragen zonder instemming van de auteursrechthebbende, tenzij hij
tegelijkertijd zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk overdraagt.
Artikel 27.
De uitgever kan, na afloop van
het contract, gedurende drie jaar de exemplaren die hij nog voorradig heeft,
blijven verkopen tegen de normale prijs, tenzij de auteur verkiest die
exemplaren zelf op te kopen tegen een prijs die, bij gebreke van
overeenstemming, vastgesteld wordt door de rechtbank.
Artikel 28.
Niettegenstaande enige daarmee
strijdige overeenkomst bezorgt de uitgever, ten minste eenmaal per jaar, aan
de auteur een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van exploitatie heeft
verkocht, ontvangen en overgedragen.
Behoudens in geval van wederuitgave,
vervalt deze verplichting voor de uitgever, indien het werk gedurende vijf
opeenvolgende jaren op geen enkele wijze wordt geëxploiteerd.
Artikel 29.
Afgezien van alle andere
redenen die de ontbinding van het uitgavecontract rechtvaardigen, kan de
auteur de ontbinding vorderen wanneer de uitgever overgaat tot de volledige
vernietiging van de exemplaren.
In geval van ontbinding van het
contract heeft de auteur het recht de nog voorradige exemplaren aan te kopen
tegen een prijs die door de rechtbank wordt vastgesteld, wanneer de uitgever
en de auteur daarover niet tot overeenstemming zijn gekomen.
Het feit dat de auteur de ontbinding
van het contract vordert, kan geen afbreuk doen aan de exploitatiecontracten
die de uitgever op geldige wijze met derden heeft gesloten, zij het dat de
auteur tegen deze laatsten een rechtstreekse vordering kan instellen tot
betaling van de eventueel overeengekomen vergoeding die hem op grond daarvan
toekomt.
Artikel 30.
In geval van faillissement,
gerechtelijk akkoord of in vereffeningstelling van het bedrijf van de uitgever
kan de auteur het oorspronkelijke contract onmiddellijk opzeggen bij ter post
aangetekende brief met ontvangbewijs.
Alle exemplaren, kopieën of
reprodukties waarop het auteursrecht van toepassing is, moeten bij voorrang
aan de auteur te koop worden aangeboden tegen een prijs die, ingeval de
curator en de auteur het niet eens kunnen worden, vastgesteld wordt door de
rechter bij wie de zaak aanhangig is, op verzoek van de meest gerede partij,
nadat de curator of de auteur behoorlijk zijn opgeroepen en, in voorkomend
geval, op advies van een of meer deskundigen.
De auteur verliest zijn recht van
voorrang indien hij, binnen dertig dagen na de ontvangst van het aanbod, aan
de curator niet te kennen geeft dat hij er gebruik van wil maken. Het aanbod
en de aanvaarding moeten, op straffe van nietigheid, worden gedaan bij
deurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs. De
auteur van het werk kan van zijn recht van voorrang afzien bij
deurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief gericht aan de curator.
Wordt de in het tweede lid bepaalde
procedure gevolgd, dan kan de auteur op dezelfde wijze afzien van het hem
gedane aanbod binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag
waarop hij door de deskundige of de deskundige in een bij ter post
aangetekende brief in kennis is gesteld van het voor eensluidend verklaard
afschrift van het rapport.
De kosten van het deskundigenonderzoek
worden verdeeld onder de gezamenlijke schuldeisers en de auteur.
Afdeling 8.
Het opvoeringscontract
Artikel 31.
Het opvoeringscontract wordt
gesloten voor bepaalde tijd of voor het aantal keren dat het werk aan het
publiek wordt meegedeeld.
De vervreemding of de exclusieve
licentie die wordt verleend door een auteur met het oog op livevoorstellingen
blijft ten hoogste drie jaar gelden; onderbreking van de opvoeringen gedurende
twee opeenvolgende jaren doet die rechten van rechtswege vervallen.
De begunstigde van een
opvoeringscontract kan dat contract niet aan een derde overdragen zonder
instemming van de auteur, tenzij hij tegelijkertijd zijn bedrijf geheel of
gedeeltelijk overdraagt.
Artikel 32.
De begunstigde van het
opvoeringscontract moet aan de auteur of zijn rechtverkrijgenden het exacte
programma van de openbare opvoeringen of uitvoeringen meedelen en hun een met
bewijsstukken gestaafde staat van zijn bruto-ontvangsten bezorgen.
Indien de auteur toestemming heeft
gegeven voor de openbare opvoering van een live-voorstelling op zodanige
voorwaarden dat gelet op het succes van het werk, de bedongen forfaitaire
vergoeding kennelijk niet evenredig is aan de winst bij de exploitatie van dat
werk, moet de begunstigde van het opvoeringscontract, op verzoek van de
auteur, de vergoeding wijzigen teneinde hem op billijke wijze te laten delen
in de winst. De auteur kan vooraf geen afstand doen van dat recht.
HOOFDSTUK II.
Naburige rechten
Afdeling 1.
Algemene bepaling
Artikel 33.
De bepalingen van dit
hoofdstuk doen geen afbreuk aan het auteursrecht. Geen van deze bepalingen mag
op zodanige wijze worden uitgelegd dat zij de uitoefening van het auteursrecht
beperkt.
De in dit hoofdstuk erkende naburige
rechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn
voor gehele of gedeeltelijke overdracht, overeenkomstig de bepalingen van het
Burgerlijk Wetboek. Ze kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of
exclusieve licentie worden ondergebracht.
Afdeling 2.
Bepalingen betreffende de uitvoerende
kunstenaars
Artikel 34.
De uitvoerende kunstenaar
heeft een onvervreemdbaar moreel recht op zijn prestatie.
De globale afstand van de toekomstige
uitoefening van dat recht is nietig.
De uitvoerende kunstenaar heeft het
recht zijn naam vermeld te zien overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken,
alsmede een onjuiste toeschrijving te verbieden.
Niettegenstaande enige afstand behoudt
de uitvoerende kunstenaar het recht om zich te verzetten tegen elke
misvorming, verminking of andere wijziging van zijn prestatie, dan wel tegen
enige andere aantasting ervan, die zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden
Artikel 35.
§ 1.
Alleen de uitvoerende kunstenaar heeft
het recht om zijn prestatie te reproduceren of de reproduktie ervan toe te
staan op welke wijze of in welke vorm ook.
Dat recht omvat onder meer het
exclusieve recht om de verhuring of de uitlening ervan toe te staan.
Alleen hij heeft het recht om zijn
prestatie volgens om het even welk procédé aan het publiek mede te delen.
De rechten van de uitvoerende
kunstenaar omvatten het exclusieve distributierecht dat slechts wordt uitgeput
in geval van een eerste verkoop door de uitvoerende kunstenaar van de
reproduktie van zijn prestatie in de Europese Unie of met diens toestemming.
Ook variété- en circusartiesten worden
als uitvoerende kunstenaars beschouwd. Aanvullende kunstenaars die volgens de
beroepsgebruiken als dusdanig zijn erkend, worden niet als uitvoerende
kunstenaars beschouwd.
§ 2.
Ten aanzien van de uitvoerende
kunstenaar worden alle contracten schriftelijk bewezen.
De contractuele bedingen met betrekking
tot de rechten van de uitvoerende kunstenaar en de exploitatiewijzen ervan
moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp
waarin een vastlegging van de prestatie is geïncorporeerd, leidt niet tot het
recht om de prestatie te exploiteren.
De verkrijger van het recht moet de
prestatie overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren.
De overdracht van de rechten
betreffende nog onbekende exploitatievormen is nietig, niettegenstaande enige
daarmee strijdige bepaling.
De overdracht van de vermogensrechten
betreffende toekomstige prestaties geldt slechts voor een beperkte tijd en
voor zover het genre van de prestaties waarop de overdracht betrekking heeft,
bepaald is.
§ 3.
Wanneer een uitvoerend kunstenaar een
prestatie levert ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut,
kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover
uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de
prestatie binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut
valt.
Wanneer een uitvoerend kunstenaar een
prestatie levert ter uitvoering van een bestelling, kunnen de vermogensrechten
worden overgedragen aan degene die de bestelling heeft geplaatst voor zover
deze laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de
reclamewereld, voor zover de prestatie bestemd is voor die activiteit en
uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien.
In die gevallen is § 2, derde tot
vijfde lid, niet van toepassing.
De strekking van die overdracht en de
wijze waarop ze plaatsvindt, kunnen bij collectieve overeenkomst worden
bepaald.
Artikel 36.
Tenzij anders is
overeengekomen, draagt de uitvoerende kunstenaar aan de producent het
exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie over, met
inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten, zoals het recht
om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren,
onverminderd de bepalingen van artikel 34.
De uitvoerende kunstenaar die weigert
zijn aandeel in de verwezenlijking van het audiovisuele werk af te maken of
niet bij machte is dat te doen, kan zich niet verzetten tegen het gebruik van
zijn aandeel met het oog op de voltooiing van het werk. Voor die medewerking
wordt hij beschouwd als uitvoerend kunstenaar en geniet hij de rechten die
daaruit voortvloeien.
Behoudens wat betreft de prestaties met
het oog op de verwezenlijking van audiovisuele werken die tot de
niet-culturele sector of tot de reclamewereld behoren, hebben de uitvoerende
kunstenaars voor elke wijze van exploitatie recht op een afzonderlijke
vergoeding. Wanneer de overeengekomen vergoeding evenredig is met de
ontvangsten, bezorgt de producent de uitvoerende kunstenaars overeenkomstig de
eerlijke beroepsgebruiken een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van
exploitatie heeft ontvangen.
Artikel 37.
Gaat het om een
live-voorstelling door een ensemble, dan wordt de toestemming gegeven door de
solisten, de dirigenten, de regisseurs en, voor de andere uitvoerende
kunstenaars, door de directeur van hun groep.
Artikel 38.
De rechten van de uitvoerende
kunstenaar vervallen vijftig jaar na de datum van de prestatie. Indien een
vastlegging van de prestatie, op geoorloofde wijze gepubliceerd of aan het
publiek meegedeeld is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van het
eerste feit.
Deze termijn wordt berekend vanaf 1
januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
Na het overlijden van de uitvoerende
kunstenaar worden de rechten uitgeoefend door diens erfgenamen of
legatarissen, tenzij de uitvoerende kunstenaar ze aan een bepaald persoon
heeft toegekend, met inachtneming van het wettelijk voorbehouden erfdeel dat
aan de erfgenamen toekomt.
Afdeling 3.
Gemeenschappelijke bepalingen
betreffende de producenten van fonogrammen en van de eerste vastleggingen van
films
Artikel 39.
Onder voorbehoud van het
bepaalde in artikel 41 en onverminderd het recht van de auteur en van de
uitvoerende kunstenaar heeft alleen de producent van fonogrammen of van eerste
vastleggingen van films het recht om zijn prestatie te reproduceren of de
reproduktie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook.
Dat recht omvat tevens het recht om de
verhuring of de uitlening ervan toe te staan.
Het omvat ook het exclusieve
distributierecht, dat slechts wordt uitgeput in geval van een eerste verkoop
door de producent van de reproduktie van zijn prestatie in de Europese Unie of
met diens toestemming.
Alleen de producent heeft het recht om
het fonogram of de eerste vastlegging van de film volgens ongeacht welk
procede aan het publiek mede te delen.
De rechten van de producenten van
fonogrammen of van eerste vastleggingen van films vervallen vijftig jaar na de
vastlegging. Indien het fonogram of de eerste vastlegging van de film binnen
deze termijn evenwel op geoorloofde wijze gepubliceerd of aan het publiek
meegedeeld is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van het eerste
feit.
Deze termijn wordt berekend vanaf 1
januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
Afdeling 4.
Bepaling betreffende de verhuring van
fonogrammen en van de eerste vastleggingen van films
Artikel 40.
De uitvoerende kunstenaar die
zijn recht betreffende de verhuring van een fonogram of van een eerste
vastlegging van een film overdraagt of afstaat, behoudt het recht op een
billijke vergoeding voor de verhuring.
Van dat recht kan geen afstand worden
gedaan.
Afdeling 5.
Gemeenschappelijke bepalingen
betreffende de uitvoerende kunstenaars en de producenten
Artikel 41.
Wanneer de prestatie van een
uitvoerende kunstenaar op geoorloofde wijze wordt gereproduceerd of door de
omroep uitgezonden, mogen de uitvoerende kunstenaar en de producent zich
onverminderd het recht van de auteur niet verzetten:
l
tegen de mededeling ervan op een
openbare plaats, op voorwaarde dat die prestatie niet voor een voorstelling
wordt gebruikt en van het publiek geen toegangsgeld of vergoeding wordt
gevraagd om die prestatie te kunnen bijwonen;
2
tegen de uitzending ervan via de
omroep.
Artikel 42.
Het gebruik van [prestaties
(4)] geeft, overeenkomstig artikel 41, de uitvoerende kunstenaars en de
producenten recht op een billijke vergoeding, ongeacht de plaats waar die
[prestaties (5)] zijn vastgelegd.
De vergoeding wordt door de personen
die de handelingen bepaald in artikel 41 verrichten, betaald aan de in
hoofdstuk VII van deze wet bedoelde vennootschappen voor het beheer van de
rechten.
Is er binnen zes maanden na de
inwerkingtreding van deze wet omtrent die vergoeding geen overeenstemming
tussen die vennootschappen voor het beheer van de rechten en de organisaties
van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, dan wordt het bedrag ervan
bepaald door een commissie voorgezeten door een magistraat die wordt
aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel.
Deze commissie bestaat voor de ene
helft uit personen aangewezen door de vennootschappen voor het beheer van de
rechten en voor de andere helft uit personen aangewezen door de organisaties
van hen die de vergoeding verschuldigd zijn.
De vennootschappen voor het beheer van
de rechten en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn,
worden aangewezen door de minister die bevoegd is voor het auteursrecht.
Degenen die de vergoeding verschuldigd
zijn, moeten overeenkomstig de eisen van de redelijkheid de inlichtingen
meedelen die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van de rechten.
De commissie bepaalt op welke wijze die
inlichtingen en stukken worden verstrekt.
De commissie beslist bij meerderheid
van de stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter
doorslaggevene
De beslissingen van de commissie worden
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
Ze worden bij koninklijk besluit
bindend verklaard ten aanzien van derden.
Artikel 43.
Onverminderd het bepaalde in
internationale overeenkomsten wordt de in artikel 42 bedoelde vergoeding door
de vennootschappen voor het beheer van de rechten verdeeld onder de
uitvoerende kunstenaars en de producenten, ieder voor de helft.
De duur van de in artikel 42 bedoelde
rechten op vergoeding is telkens gelijk aan die bepaald in de artikelen 38 en
39, laatste lid.
Afdeling 6.
Bepalingen betreffende de
omroeporganisaties
Artikel 44.
Voor de volgende handelingen
is de schriftelijke toestemming van de omroeporganisatie vereist:
a) het rechtstreeks of later
heruitzenden van haar uitzendingen daaronder begrepen de doorgifte via de
kabel en de mededeling aan het publiek per satelliet;
b) de reproduktie van haar
uitzendingen door welk procédé ook daaronder begrepen de distributie van
vastleggingen van haar uitzendlngen;
c) de mededeling van haar
uitzendingen op een voor het publiek toegankelijke plaats tegen betaling van
toegangsgeld.
Het distributierecht bedoeld in het
eerste lid, b), wordt slechts uitgeput in geval van een eerste verkoop door de
omroeporganisatie van de vastlegging van haar uitzending in de Europese Unie
of met haar toestemming.
Artikel 45.
De bescherming bedoeld in
artikel 44 blijft gelden gedurende vijftig jaar te rekenen van de eerste
uitzending.
Deze duur wordt berekend vanaf de
eerste januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet
ontstaan.
Afdeling 7.
Gemeenschappelijke bepalingen voor de
afdelingen 1 tot 6
Artikel 46.
De artikelen 35, 39, 42 en 44
zijn niet van toepassing wanneer de handelingen bedoeld in die artikelen
verricht worden met één van de hierna volgende doelstellingen:
l) de korte aanhaling van
prestaties van de in de afdelingen 2 tot fi van dit hoofdstuk bedoelde
rechthebbenden, ten behoeve van kritiek, polemiek of onderwijs, of in
wetenschappelijke werken voor zover zulks geschiedt overeenkomstig de
eerlijke gebruiken en het beoogde doel zulks wettigt;
2) de vastlegging, de reproduktie en
de mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte
fragmenten van de prestaties van de rechthebbenden bedoeld in de afdelingen
2 tot 6 in een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht;
3) de kosteloze privé-uitvoering in
familiekring of in het kader van schoolactiviteiten;
4) de reproduktie van prestaties van
de houders van de naburige rechten, die in familiekring geschiedt en alleen
daarvoor bestemd is;
5) een karikatuur, een parodie of een
pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;
6) de kosteloze uitvoering van een
werk tijdens een publiek examen, wanneer het doel van de uitvoering niet het
werk zelf is maar het beoordelen van de uitvoerder of uitvoerders van het
werk met het oog op het verlenen van een kwalificatiegetuigschrift diploma
of titel binnen een erkende onderwijsinstelling.
[7) de bewaring door het Koninklijk
Belgisch Filmarchief van het cinematografisch patrimonium door middel van
kopieën, dubbels, restauraties en overzettingen, voor zover ze geen afbreuk
doet aan de normale exploitatie van het werk noch een schade berokkent aan
de wettige belangen van de houders van naburige rechten.
De materialen die aldus worden
vervaardigd blijven eigendom van het Filmarchief, dat zichzelf ieder
commercieel of winstgevend gebruik ervan ontzegt. De houders van naburige
rechten kunnen hiertoe toegang krijgen, onder strikte inachtneming van de
bewaring van het werk en tegen een billijke vergoeding van het werk verricht
door het Filmarchief (6)]
Artikel 47.
§ 1.
De uitvoerende kunstenaar en de
producent kunnen de uitlening van fonogrammen en van eerste vastleggingen van
films niet verbieden wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of
cultureei doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn
erkend of opgericht.
§ 2.
De uitlening van fonogrammen en van
eerste vastleggingen van films kan pas plaatsvinden zes maanden na de eerste
verspreiding van het werk onder het publiek.
Na raadpleging van de instellingen en
vennootschappen voor het beheer van de rechten, kan de Koning voor alle
fonogrammen en eerste vastleggingen van films of voor bepaalde daarvan de in
het orige lid bedoelde termijn verlengen of verkorten.
[§ 3. De in § 1 bedoelde instellingen
die door de Koning worden aangewezen, mogen fonogrammen of eerste
vastleggingen van films invoeren die voor het eerst buiten de Europese Unie
rechtmatig zijn verkocht en die op het grondgebied van die Unie niet aan het
publiek worden verdeeld, ingeval die invoer geschiedt voor openbare
uitleningen met een educatief of cultureel doel en voor zover zulks geen
betrekking heeft op meer dan vijf exemplaren van het fonogram of de eerste
vastlegging van de film.(7)]
HOOFDSTUK III.
Mededeling aan het publiek per
satelliet en doorgifte via de kabel
Afdeling 1.
Mededeling aan het publiek per
satelliet
Artikel 48.
Overeenkomstig de voorafgaande
hoofdstukken en rekening houdend met de hierna volgende bepalingen geldt de
bescherming van het auteursrecht en van de naburige rechten tevens voor de
satellietomroep.
Artikel 49.
De mededeling aan het publiek
per satelliet vindt slechts plaats in de Lid-Staat van de Europese Unie waar
de programma dragende signalen onder controle en verantwoordelijkheid van de
omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die
naar de satelliet en terug naar de aarde loopt.
Indien de mededeling aan het publiek
per satelliet plaatsvindt in een Staat die niet tot de Unie behoort en die
niet het niveau van bescherming biedt waarin de voorafgaande hoofdstukken
voorzien wordt zij niettemin geacht in de hierna omschreven Lid-Staat te
hebben plaatsgevonden en kunnen de rechten er, naar gelang van het geval,
tegen de persoon die het grondstation exploiteert of tegen de
omroeporganisatie worden uitgeoefend:
indien de programmadragende
signalen per satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation op het
grondgebied van een Lid-Staat, of
indien de omroeporganisatie die tot
de mededeling aan het publiek opdracht heeft gegeven, haar hoofdvestiging op
het grondgebied van een Lid-Staat heeft.
Artikel 50.
Voor de artikelen 48 en 49
wordt onder mededeling aan het publiek per satelliet de handeling verstaan
waarbij de programmadragende signalen voor ontvangst door het publiek onder
controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in
een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de
aarde loopt. Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm worden
uitgezonden, is er sprake van mededeling aan het publiek per satelliet wanneer
de middelen voor het decoderen van de uitzending door of met toestemming van
de omroeporganisatie ter beschikking van het publiek worden gesteld.
Afdeling 2.
Doorgifte via de kabel
Artikel 51.
Overeenkomstig de voorafgaande
hoofdstukken en rekening houdend met de hierna omschreven nadere regels
beschikken alleen de auteur en de houders van de naburige rechten over het
recht de doorgifte via de kabel van hun werken en prestaties toe te staan.
Artikel 52.
Onder doorgifte via de kabel
wordt verstaan de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door
middel van een kabel- of microgolfsysteem, aan het publiek, van een eerste
uitzending, al dan niet via de ether, ook per satelliet, van televisie- of
radioprogramma's die voor ontvangst door het publiek bestemd zijn.
Artikel 53.
§ 1.
Het recht van de auteur en van de
houders van naburige rechten om de doorgifte via de kabel toe te staan of te
verbieden, kan uitsluitend door vennootschappen voor het beheer van de rechten
worden uitgeoefend.
§ 2.
Indien de auteur of de houders van
naburige rechten het beheer van hun rechten niet aan een vennootschap voor het
beheer van de rechten hebben opgedragen, is de vennootschap die rechten van
dezelfde categorie beheert, geacht met het beheer van hun rechten te zijn
belast.
Indien de rechten van die categorie
door meer dan een vennootschap voor het beheer van de rechten worden beheerd,
staat het de auteur of de houders van naburige rechten vrij te kiezen welke
van die vennootschappen geacht wordt hun rechten te beheren. Voor hen gelden
dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen de kabelmaatschappij
en de vennootschap voor het beheer van de rechten als voor de rechthebbenden
die het beheer van hun rechten aan deze vennootschap hebben opgedragen. Zij
kunnen die rechten doen gelden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van
de datum van doorgifte via de kabel van hun werk of van hun prestatie.
§ 3.
De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing
op de rechten die een omroeporganisatie in het kader van haar eigen
uitzendingen uitoefent.
Artikel 54.
§ 1.
Indien er geen overeenkomst betreffende
de toestemming voor doorgifte via de kabel kan worden gesloten, kunnen de
partijen een beroep doen op drie bemiddelaars.
§ 2.
De bemiddelaars worden aangewezen
volgens de bepalingen van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek, die van
toepassing zijn op de aanwijzing van scheidslieden. Zij moeten hun
onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen waarborgen. Zij moeten bijstand
verlenen bij het voeren van onderhandelingen en kunnen voorstellen doen na de
betrokken partijen te hebben gehoord. De voorstellen worden ter kennis
gebracht bij ter post aangetekende brief met ontvangbewijs.
§ 3.
Indien binnen een termijn van drie
maanden te rekenen van de kennisgeving geen van de betrokken partijen zich
door middel van een kennisgeving aan de andere partijen in de zelfde vorm
tegen de voorstellen heeft verzet, worden zij geacht die voorstellen te hebben
aanvaard.
HOOFDSTUK IV
Het kopiëren voor eigen gebruik van
geluidswerken en audiovisuele werken
Artikel 55.
De auteurs, de uitvoerende
kunstenaars en de producenten van fonogrammen en van audiovisuele werken
hebben recht op een vergoeding voor de reproductie voor eigen gebruik van hun
werken en prestaties, inclusief voor de gevallen bedoeld in artikel 22, § 1,
5, en artikel 46, eerste lid, 4, van deze wet.
De vergoeding wordt betaald door de
fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire aankoper van dragers die
gebruikt kunnen worden voor het reproduceren van geluidswerken en audiovisuele
werken dan wel van apparaten waarmee de reproductie mogelijk wordt op de datum
waarop die dragers en die apparaten op het nationale grondgebied in de handel
worden gebracht.
De Koning bepaalt de nadere regels voor
de inning en verdeling van en de controle op de vergoeding, alsmede het
tijdstip waarop die vergoeding is verschuldigd.
Onverminderd het bepaalde in
internationale overeenkomsten verdelen de vennootschappen voor het beheer van
de rechten overeenkomstig artikel 58 de vergoeding onder de auteurs, de
uitvoerende kunstenaars en de producenten.
Overeenkomstig de door Hem gestelde
voorwaarden en nadere regels belast de Koning een vennootschap die
representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten,
met de inning en de verdeling van de vergoeding.
Wanneer een auteur of een uitvoerende
kunstenaar zijn recht op een vergoeding voor het kopiëren voor eigen gebruik
van geluidswerken of audiovisuele werken heeft afgestaan, behoudt hij het
recht op een billijke vergoeding voor het kopiëren voor eigen gebruik.
De auteurs of de uitvoerende
kunstenaars kunnen geen afstand doen van dat recht op een billijke vergoeding.
Het in het eerste lid bedoelde recht op
vergoeding kan niet in aanmerking komen voor de in de artikelen 18 en 36
bedoelde vermoedens.
Artikel 56.
De vergoeding bedoeld in
artikel 55 wordt vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk
besluit en wordt berekend op de verkoopprijs die wordt aangerekend door de
fabrikant, de intra-communautaire aankoper of de invoerder van de apparaten
waarmee de beschermde werken gereproduceerd kunnen worden en, in voorkomend
geval, op de prijs van de drager.
Bij ontstentenis van zodanig besluit
wordt de vergoeding vastgesteld op:
- 3 procent op de
verkoopprijs zoals bepaald in het eerste lid voor apparaten waarmee de
beschermde werken gereproduceerd kunnen worden;
- 2 frank per uur voor analoge
dragers;
- 5 frank per uur voor numerieke
dragers.
Artikel 57.
De vergoeding bedoeld in
artikel 55 wordt terugbetaald op de wijze bepaald door de Koning:
l° aan de producenten van
geluidswerken en audiovisuele werken;
2° aan de omroeporganisaties;
3° aan de instellingen die door de
overheid officieel erkend en gesubsidieerd worden met het oog op de bewaring
van geluidsmateriaal of audiovisueel materiaal;
4° aan blinden, slechtzienden, doven
en-slechthorenden, evenals aan de erkende instellingen, opgericht ten
behoeve van deze personen;
5° aan de erkende
onderwijsinstellingen, die geluidsmateriaal en audiovisueel materiaal
gebruiken voor didactische of wetenschappelijke doeleinden.
De vergoeding wordt enkel terugbetaald
voor de dragers die zijn bestemd om geluidsmateriaal en audiovisueel materiaal
te bewaren en ter plaatse beluisterd of bekeken te worden.
Artikel 58.
§1.
De in artikel 55 bedoelde vergoeding
wordt, naar rata van een derde, toegewezen aan elk van de volgende
categorieën:
- de auteurs;
- de uitvoerende kunstenaars;
- de producenten van fonogrammen en van
audiovisuele werken.
§ 2.
De Gemeenschappen en de federale Staat
kunnen besluiten dertig procent van de opbrengst van de vergoeding waarvan
sprake in de voorgaande paragraaf, te gebruiken ter aanmoediging van de
schepping van werken, en zulks door middel van een samenwerkingsakkoord met
toepassing van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980
tot hervorming der instellingen.
HOOFDSTUK V.
Het kopieren voor eigen of voor intern
gebruik van werken die op grafische of soortgelijke wijze zijn vastgelegd
Artikel 59.
De auteurs en de uitgevers van
werken die op grafische of soortgelijke wijze zijn vastgelegd, hebben recht op
een vergoeding voor de reproduktie van die werken, ook wanneer die reproduktie
plaatsvindt onder de voorwaarden bepaald in artikel 22, eerste lid, 4_.
De vergoeding wordt betaald door de
fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire aankoper van de apparaten
waarmee de beschermde werken gereproduceerd kunnen worden, op de datum waarop
die apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht.
Artikel 60.
Een vergoeding die evenredig
is aan het aantal vervaardigde kopieën is bovendien verschuldigd door de
natuurlijke personen of de rechtspersonen die kopieën van werken vervaardigen
of, in voorkomend geval, met decharge van eerstgenoemden, door hen die onder
bezwarende titel of gratis een reproductieapparaat ter beschikking stellen van
anderen.
Artikel 61
De Koning bepaalt bij een in
Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de in de artikelen 59 en 60
bedoelde vergoedingen. Hij bepaalt de nadere regels voor de inning en
verdeling van en de controle op die vergoedingen, alsmede het tijdstip waarop
ze verschuldigd zijn. //De vergoeding bedoeld in artikel 60 kan worden
aangepast naar gelang van de betrokken sectoren.//8
Onverminderd het bepaalde in
internationale overeenkomsten worden de in de artikelen 59 en 60 bedoelde
vergoedingen in gelijke delen toegewezen aan de auteurs en de uitgevers.
Overeenkomstig de door Hem gestelde
voorwaarden en nadere regels belast de Koning een vennootschap die
representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten met
de inning en de verdeling van de vergoeding.
HOOFDSTUK VI.
Bepalingen inzake openbare
uitlening
Artikel 62.
§ 1.
In geval van uitlening van werken van
letterkunde of partituren van muziekwerken onder de voorwaarden genoemd in
artikel 23, heeft de auteur recht op een vergoeding.
§ 2.
In geval van uitlening van
geluidswerken of audiovisuele werken onder de voorwaarden genoemd in de
artikelen 23 en 47, hebben de auteur, de uitvoerende kunstenaar en de
producent recht op een vergoeding.
Artikel 63.
Na raadpleging van de
instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten bepaalt de
Koning het bedrag van de in artikel 62 bedoelde vergoedingen. Deze worden
geïnd door de vennootschappen voor het beheer van de rechten.
De Koning kan, overeenkomstig de door
Hem gestelde voorwaarden en nadere regels, een vennootschap die representatief
is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten, belasten met de
inning en de verdeling van de vergoedingen voor openbare uitlening.
Bij de vaststelling van de in artikel
62 bedoelde vergoeding bepaalt de Koning, na raadpleging van de Gemeenschappen
en, in voorkomend geval, op hun initiatief voor sommige categorieën van
instellingen die door de overheid zijn erkend of opgericht, een vrijstelling
of een forfaitair vastgesteld bedrag per uitlening.
Artikel 64.
§ 1.
Onverminderd het bepaalde in
internationale overeenzomsten wordt de in artikel 62, § 1, bedoelde vergoeding
verdeeld tussen de auteurs.
§ 2.
Onverminderd het bepaalde in
internationale overeenkomsten wordt de in artikel 62, § 2, bedoelde vergoeding
verdeeld tussen de auteurs, de uitvoerende kunstenaars en de producenten naar
rata van een derde voor elk.
HOOFDSTUK VII
Vennootschappen voor het beheer van de
rechten
Artikel 65.
De bepalingen van dit
hoofdstuk zijn van toepassing op al wie de bij deze wet erkende rechten int of
verdeelt voor rekening an verschillende rechthebbenden.
Het beheer moet worden waargenomen door
een vennootschap die op regelmatige wijze is opgericht in een van de landen
van de Europese Unie, waar zij op geoorloofde wijze als vennootschap voor de
inning of de verdeling van die rechten werkzaam is.
De vennoten moeten de hoedanigheid
bezitten van auteur, uitvoerend kunstenaar, producent van geluidswerken of
audiovisuele werken, uitgever, of van rechtverkrijgende van de voormelde
personen.
Is de vennootschap gevestigd in een
land dat geen lid is van de Europese Unie, dan moet zij haar werkzaamheden in
België verrichten via een vennootschap of een instelling die in een land van
de Europese Unie op regelmatige wijze is opgericht en waarvan degene die met
het beheer is belast, voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 198 van de
gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
Artikel 66.
De vennootschap heeft de
plicht de rechten te beheren die door deze wet worden erkend wanneer de
rechthebbende daarom verzoekt en dat verzoek overeenstemt met de doelstelling
en de statuten van de vennootschap.
De statuten van de vennootschappen
mogen in geen geval het recht beperken van de personen die zij
vertegenwoordigen om vertegenwoordigd te zijn in de organen van de
vennootschap.
Niettegenstaande enig andersluidend
beding kunnen de statuten, reglementen of overeenkomsten van de
vennootschappen een rechthebbende niet beletten om het beheer van een of meer
categorieën van werken of prestaties van zijn repertoire toe te vertrouwen aan
de vennootschap van zijn keuze of om het beheer zelf uit te oefenen.
In geval van terugtrekking, en
onverminderd de rechtshandelingen die voordien door zijn vennootschap zijn
verricht, moet de rechthebbende een toereikende opzeggingstermijn in acht
nemen.
De vennootschappen zijn verplicht ter
plaatse inzage te verlenen van de repertoires waarvan zij het beheer
waarnemen.
Artikel 67.
Om op het nationale
grondgebied werkzaam te kunnen zijn, moeten de in artikel 65 bedoelde
vennootschappen een vergunning bezitten van de minister die bevoegd is voor
het auteursrecht.
Een koninklijk besluit bepaalt op welke
wijze de vergunningen moeten worden aangevraagd en onder welke voorwaarden zij
verkregen kunnen worden.
De minister kan een vergunning
intrekken wanneer de vennootschap niet voldoet aan de voorwaarden voor het
verkrijgen van de vergunning of wanneer zij zware of herhaalde overtredingen
van de bepalingen van deze wet begaat of heeft begaan.
Het weigeren en het intrekken van de
vergunning moeten met redenen worden omkleed.
De intrekking heeft gevolg na verloop
van twee jaar te rekenen van de kennisgeving van de intrekking. De intrekking
van de vergunning geldt als ontbinding van de toetredingsovereenkomst of van
de overeenkomst waarbij de leden aan de vennootschap machtiging hebben
verleend.
Elke toekenning en elke intrekking van
een vergunning moet in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
Artikel 68.
Op de vennootschappen wordt
toezicht uitgeoefend door een commissaris, benoemd op dezelfde wijze als bij
de naamloze vennootschappen.
De commissaris moet worden gekozen
onder de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren ; hij draagt de titel
van commissarisrevisor.
Alle bepalingen van de gecoördineerde
wetten op de handelsvennootschappen die betrekking hebben op de
commissarissen-revisoren in de naamloze vennootschappen, zijn van
overeenkomstige toepassing op de commissaris-revisor bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 69.
De sommen die worden geïnd en
waarvan uiteindelijk blijkt dat ze niet kunnen worden uitgekeerd, moeten door
de vennootschappen worden verdeeld onder de rechthebbenden van de betrokken
categorie, op de wijze die bij tweederde meerderheid van de algemene
vergadering wordt bepaald.
Bij gebreke van een dergelijke
meerderheid wordt met dit doel speciaal een nieuwe algemene vergadering
bijeengeroepen, die bij gewone meerderheid beslist.
Over de aanwending van die sommen maakt
de commissarisrevisor jaarlijks een bijzonder verslag op.
Artikel 70.
Onverminderd de informatie die
medegedeeld moet worden krachtens de wetten en de statuten, kan elke vennoot
of zijn gemachtigde, binnen een maand te rekenen van de dag van zijn verzoek,
een afschrift krijgen van de stukken van de laatste drie jaren die betrekking
hebben op:
l° de door de algemene
vergadering goedgekeurde jaarrekeningen en de financiële structuur van de
vennootschap;
2° de bijgewerkte lijst van de
bestuurders;
3° de verslagen van de raad van
bestuur en van de commissarisrevisor aan de algemene vergadering ;
4° de tekst van en de toelichting bij
de aan de algemene vergadermg voorgestelde resoluties, alsmede alle
inlichtingen betreffende de kandidaten voor de raad van bestuur;
5° het door de commissaris-revisor
voor juist verklaarde totale bedrag van de bezoldigingen, forfaitaire kosten
en voordelen van welke aard ook, die werden uitgekeerd aan de bestuurders;
6° de geactualiseerde tarieven van de
vennootschap;
7° de bestemming van de sommen die,
overeenkomstig de artikelen 13, tweede lid, en 69, verdeeld moesten worden.
Artikel 71.
De vennootschappen kunnen,
binnen de perken van de hen op grond van hun statuten verleende bevoegdheden,
algemene contracten sluiten met betrekking tot de exploitatie van
auteursrechten en naburige rechten.
Artikel 72.
Deze wet doet geen afbreuk aan
de contracten inzake vertegenwoordiging die de in deze wet bedoelde
vennootschappen hebben gesloten, noch aan de contracten die zij, onder de
gelding van vroegere wetten, met derden hebben gesloten.
Deze bepaling geldt enkel in zoverre
die vennootschappen de in artikel 67 bedoelde vergunning hebben aangevraagd
binnen zes maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het koninklijk
besluit bedoeld in dat artikel.
Die aanvraag moet vergezeld gaan van
een kopie van de statuten en van de laatste drie goedgekeurde balansen.
De vergunning wordt van rechtswege
toegekend op verzoek van de vennootschappen die, sedert ten minste drie jaar
voor de inwerkingtreding van deze wet, de werkzaamheden bedoeld in artikel 65
werkelijk hebben verricht, of die dergelijke werkzaamheden hebben overgenomen
van een vennootschap of van een vereniging die ze even lang heeft verricht.
Artikel 73.
De vennootschappen zijn
bevoegd om in rechte op te treden met het oog op de verdediging van de rechten
die zij krachtens de statuten beheren.
Artikel 74.
Het bewijs van een opvoering,
uitvoering, reproduktie of enige andere exploitatie alsook het bewijs van een
onjuiste verklaring over de opgevoerde uitgevoerde of gereproduceerde werken
of over de ontvangsten kan niet alleen door de processen-verbaal van de
officieren of de agenten van de gerechtelijke politie worden geleverd, maar
ook door de vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder of, tot het tegendeel
bewezen is, van een door beheersvennootschappen aangewezen persoon die erkend
is door de Minister bevoegd voor het auteursrecht en beëdigd is overeenkomstig
artikel 572 van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 75.
De vennootschappen delen hun
jaarrekeningen mee aan de Minister die bevoegd is voor het auteursrecht en
geven hem kennis van elk voorstel tot wijziging van de statuten, de tarieven
of de innings- en verdelingsregels, ten minste twee maanden vóór de algemene
vergadering tot het onderzoek ervan overgaat.
Artikel 76.
De Minister wijst voor elke
vennootschap een vertegenwoordiger aan.
De vertegenwoordiger houdt toezicht op
de toepassing van de wet en de statuten, alsook van de in artikel 75 bedoelde
tarieven, innings- en verdelingsregels.
[...(9)]
Hij treedt op uit eigen beweging of op
verzoek van de Minister of van enige belanghebbende.
De vennootschap moet hem alle stukken
en alle inlichtingen verschaffen die dienstig kunnen zijn voor zijn taak.
Hij kan inzage nemen van de boeken en
de boekingsstukken van de vennootschap.
De vertegenwoordiger brengt aan de
Minister verslag uit over zijn handelingen en onderzoeken en deelt het
resultaat ervan mee aan wie erom gevraagd heeft.
Het statuut en de bezoldiging van de
vertegenwoordiger worden bij koninklijk besluit bepaald.
[De minister heeft het recht om in
rechte op te treden om bij elke overtreding van de wet of de statuten een
sanctie te vorderen.(10)]
Onverminderd het bepaalde in artikel 67
kan herhaalde overtreding van de statuten en de reglementen van de
vennootschap grond opleveren voor de intrekking van de erkenning door de
Minister.
Artikel 77.
De vertegenwoordiger kan de
beperking van de werkingskosten van de vennootschap, alsmede de aanwijzing van
een deskundige die aan de algemene vergadering verslag moet uitbrengen, op de
agenda van een algemene vergadering van die vennootschap plaatsen.
Artikel 78.
De personeelsleden van de
vennootschappen voor het beheer van de rechten alsmede andere personen die
zijn betrokken bij de inning van de krachtens de hoofdstukken IV tot VI
verschuldigde vergoedingen; moeten het beroepsgeheim bewaren over alle
inlichtingen waarvan ze kennis hebben door of naar aanleiding van de
uitvoering van hun opdracht. Schending van dat beroepsgeheim wordt gestraft
met de straffen gesteld bij artikel 458 van het Strafwetboek.
HOOFDSTUK VIII.
Algemene bepalingen
Afdeling 1.
Toepassingsgebied
Artikel 79.
Onverminderd het bepaalde in
internationale overeenkomsten gelden de bij deze wet gewaarborgde rechten in
België ook voor de buitenlandse auteurs en de buitenlanders die naburige
rechten genieten, maar niet voor een langere termijn dan bij de Belgische wet
is bepaald.
Indien evenwel die rechten in hun land
vervallen na een kortere termijn, vervallen zij ook in België na het
verstrijken van die termijn.
Zijn de Belgische auteurs en de
Belgische houders van naburige rechten in mindere mate beschermd in een vreemd
land dan gelden de voordelen van deze wet voor de onderdanen van dat land
slechts in gelijke mate.
Niettegenstaande het eerste lid is de
wederkerigheid van toepassing op het recht op vergoeding voor het kopiëren
voor eigen gebruik van uitgevers, van uitvoerende kunstenaars en van
producenten van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films, zulks
onverminderd het Verdrag over de Europese Unie.
Afdeling 2.
Strafbepalingen
Artikel 80.
Hij die kwaadwillig of
bedrieglijk inbreuk pleegt op het auteursrecht en de naburige rechten, is
schuldig aan het misdrijf van namaking.
Hetzelfde geldt voor de kwaadwillige of
bedrieglijke aanwending van de naam van een auteur of van een persoon die een
naburig recht geniet, of voor enig door hem gebruikt distinctief kenmerk om
zijn werk of prestatie aan te duiden. De aldus tot stand gebrachte voorwerpen
worden als nagemaakt beschouwd.
Hij die voorwerpen, wetende dat zij
nagemaakt zijn, verkoopt, verhuurt, te koop of te huur stelt, in voorraad
heeft voor de verkoop of de verhuur of in Belgie invoert voor commerciële
doeleinden. is schuldig aan hetzelfde misdrijf.
De bepalingen van boek I van het
Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van
toepassing op het misdrijf van namaking.
De bepalingen van hoofdstuk XI van de
wet van 3 juli 1969 houdende invoering van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde zijn van toepassing op de overtredingen van de
bepalingen van de hoofdstukken IV tot VI en op de overtredingen van hun
uitvoeringsbesluiten, waarbij de term "belasting" wordt vervangen door
"vergoeding".
Artikel 81.
De misdrijven omschreven in
artikel 80 worden gestraft met geldboete van 100 frank tot 100 000 frank. Met
gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van 100 frank
tot 100 000 frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft elke
herhaling met betrekking tot de misdrijven omschreven in artikel 80.
Artikel 82.
Ingeval een uitvoering of een
opvoering inbreuk maakt op het auteursrecht of op de naburige rechten, kunnen
de ontvangsten in beslag genomen worden als zaken die uit het misdrijf
voortkomen. Zij worden aan de eiser toegewezen naar evenredigheid van hetgeen
zijn werk of zijn prestatie heeft bijgedragen tot de uitvoering of opvoering
en worden bij de raming van de schadevergoeding in aanmerking genomen.
Artikel 83.
De rechter kan bevelen dat de
vonnissen gewezen met toepassing van artikel 81 moeten worden aangeplakt voor
de duur die hij bepaalt, zowel binnen als buiten de gebouwen van de overtreder
en op diens kosten, of dat het vonnis op kosten van de overtreder in
nieuwsbladen of op enige andere wijze bekendgemaakt moet worden.
Artikel 84.
De rechtspersonen zijn
burgerlijk aansprakelijk voor de veroordeling tot het betalen van
schadevergoeding, boeten, kosten verbeurdverklaringen, teruggaven en
geldstraffen van welke aard ook, die wegens overtreding van deze wet worden
uitgesproken tegen hun bestuurders, vertegenwoordigers of aangestelden.
De leden van handelsverenigingen zonder
rechtspersoonlijkheid kunnen in dezelfde mate burgerlijk aansprakelijk worden
gesteld wanneer de overtreding door een vennoot, zaakvoerder, aangestelde of
lasthebber is begaan naar aanleiding van een verrichting die tot de activiteit
van de vereniging behoort.
Artikel 85.
[In geval van herhaling van de
in deze wet omschreven misdrijven kan de rechtbank hetzij de definitieve,
hetzij de tijdelijke sluiting bevelen van de inrichting van de
veroordeelde.(11)]
Artikel 86.
De ontvangsten en de
verbeurdverklaarde voorwerpen kunnen aan de burgerlijke partij worden
toegewezen, in mindering of ten belope van het geleden nadeel.
Afdeling 3.
Burgerlijke rechtsvordering ter zake
van auteursrecht
Artikel 87.
§ 1.
Onverminderd de bevoegdheid van de
rechtbank van eerste aanleg, stelt de voorzitter van deze rechtbank het
bestaan vast van een inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht en
beveelt dat daaraan een einde wordt gemaakt.
De vordering wordt ingesteld en
behandeld zoals in kort geding.
Op de vordering wordt uitspraak gedaan,
niettegenstaande enige vervolging die voor de strafrechter wordt ingesteld
wegens dezelfde feiten.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad,
niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling, tenzij de rechter heeft
bevolen dat een borg moet worden gesteld.
De vordering wordt ingesteld op verzoek
van elke betrokkene, van een gemachtigde vennootschap voor het beheer van de
rechten of van een beroepsvereniging of interprofessionele vereniging met
rechtspersoonlijkheid.
De voorzitter kan bevelen dat een einde
moet worden gemaakt aan de betwiste handeling en dat het vonnis, op de wijze
die hij geschikt acht, geheel of gedeeltelijk wordt bekendgemaakt op kosten
van de verweerder.
§ 2.
De overhandiging van de nagemaakte
voorwerpen en platen, vormen, matrijzen of andere gereedschappen die
rechtstreeks gediend hebben tot het plegen van de namaking en die nog in het
bezit van de verweerder zijn, kan worden bevolen in mindering van de aan de
eiser verschuldigde schadevergoeding.
De verweerder die te kwader trouw is,
wordt veroordeeld tot verbeurdverklaring van de nagemaakte voorwerpen en van
de platen, vormen, matrijzen of andere gereedschappen die rechtstreeks gediend
hebben tot het plegen van de namaking of, in voorkomend geval, tot de betaling
van een som gelijk aan de prijs van deze voorwerpen of andere reeds
overgedragen goederen.
Afdeling 4.
Overgangsbepalingen
Artikel 88.
§1.
Deze wet is van toepassing op de werken
en de prestaties die tot stand zijn gebracht vóór de inwerkingtreding ervan en
die op dat tijdstip niet tot het openbaar domein behoren.
§ 2.
Zij is eveneens van toepassing op de
werken en de prestaties die op 1 juli 1995 in ten minste een Lid-Staat van de
Europese Unie door het auteursrecht worden beschermd.
De rechten worden evenwel niet opnieuw
van kracht ten aanzien van personen die werken of prestaties welke vóór 1 juli
1995 tot het openbaar domein behoorden, te goeder trouw hebben geëxploiteerd,
zulks voor zover zij dezelfde exploitatiewijzen aanwenden.
§ 3.
Deze wet doet geen afbreuk aan de
rechten verkregen op grond van de wet of van rechtshandelingen, noch aan de
exploitatiehandelingen verricht vóór de inwerkingtreding ervan.
§ 4.
Voor overeenkomsten betreffende de
exploitatie van werken en andere beschermde prestaties, die op de datum van de
inwerkingtreding van deze wet van kracht zijn, gelden de artikelen 49 en 50
vanaf 1 januari 2000 indien deze overeenkomsten na die datum verstrijken.
§ 5.
Indien een vóór 1 januari 1995 gesloten
internationale coproduktie-overeenkomst tussen een coproducent uit een
Lid-Staat van de Europese Unie en één of meer coproducenten uit andere
Lid-Staten of derde landen uitdrukkelijk voorziet in een regeling waarbij de
exploitatierechten voor alle vormen van mededeling aan het publiek naar
geografisch gebied tussen de coproducenten worden verdeeld, zonder dat de
regeling die van toepassing is op de mededeling aan het publiek per satelliet
onderscheiden wordt van de voorschriften die van toepassing zijn op de andere
vormen van mededeling, en indien de mededeling van de coproduktie aan het
publiek per satelliet de exclusiviteit, met name de taalexclusiviteit, van een
van de coproducenten of van zijn rechtverkrijgenden op een bepaald grondgebied
zou aantasten, is voor het verlenen van toestemming door een van de
coproducenten of zijn rechtverkrijgenden voor een mededeling aan het publiek
per satelliet de voorafgaande toestemming vereist van degene die recht op die
exclusiviteit kan doen gelden, ongeacht of hij een coproducent dan wel een
rechtverkrijgende is.
Afdeling 5.
Opheffingsbepalingen
Artikel 89.
§ 1.
De auteurswet van 22 maart 1886 wordt
opgeheven.
§ 2.
De wet van 25 juni 1921 tot het innen
van een recht op de openbare kunstveilingen, ten bate der kunstenaars, auteurs
der verkochte werken, wordt opgeheven op de dag van de inwerkingtreding van de
artikelen 11 tot 13 van deze wet.
Artikel 90.
In artikel 1 van de wet van 8
april 1965 tot instelling van het wettelijk depot bij de Koninklijke -
Bibliotheek van Belgie vervallen de woorden "de fonografische en".
Afdeling 6.
Wijzigingsbepalingen
Artikel 91.
Artikel 572 van het
Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een ll_, luidend als volgt: "11_ de
personen die door vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en van
naburige rechten worden aangewezen teneinde alle mogelijke exploitatievormen
van een werk of van een prestatie, evenals enige onjuiste verklaring in
verband met een dergelijke exploitatie vast te stellen".
In artikel 19 van de hypotheekwet van
16 december 1851 die titel XVIII van het Burgerlijk Wetboek vormt, wordt een
40decies ingevoegd, luidend als volgt: "40decies. De vorderingen van de
auteurs, zoals omschreven in de wet van 30 juni 1994 betreffende het
auteursrecht en de naburige rechten".
[Aan artikel 96, eerste lid, van de wet
van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de
bescherming van de consument worden de woorden "en de naburige rechten"
toegevoegd.(12) ]
Afdeling 7.
Inwerkingtreding
Artikel 92.
§ l.
Met uitzondering van de bepalingen
bedoeld in de §§ 2 tot 7 van dit artikel treedt deze wet in werking de eerste
dag van de maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad
is bekendgemaakt.
§ 2.
De artikelen 11 tot 13 treden in
werking de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in
artikel 13, tweede.
§ 3.
De artikelen 42 en 43 treden in werking
de dag van de inwerkingtreding van het ministerieel besluit bedoeld in artikel
42, vijfde lid.
§ 4.
De artikelen 22, § 1, 5°, 46, punt 4,
en 55 tot 58 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van de
koninklijke besluiten bedoeld in de artikelen 55, derde en vijfde lid, en 57
en uiterlijk de eerste dag van de dertiende maand volgend op die gedurende
welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
§ 5.
De artikelen 22, § 1, 4°, en 59 tot 61
treden in werking de dag van de inwerkingtreding van de uitvoeringsbesluiten
bedoeld in artikel 61.
§ 6.
De artikelen 62 tot 64 treden in
werking de dag van de inwerkingtreding van de koninklijke besluiten bedoeld in
artikel 63, eerste en derde lid.
§ 7.
1. De artikelen 65, 66, 68,
69 en 70 treden in werking de eerste dag van de twaalfde maand volgend op
die gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
2. De artikelen 67 en 72 treden in
werking de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in
artikel 67, tweede lid.
3. De artikelen 76 en 77 treden in
werking de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in
artikel 76, [zevende (13)] lid.
Voetnoten.
(1) aangevuld door artikel 1 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(2) aangevuld door artikel 2 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van 30 juni 1994
(3) aangevuld door artikel 3 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(4) vervangen door artikel 4 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(5) vervangen door artikel 4 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(6) aangevuld door artikel 5 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(7) aangevuld door artikel 6 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(8) aangevuld door artikel 7 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994.
(9) derde lid opgeheven door artikel 8,
1° van de wet van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994.
(10) ingevoegd door artikel 8, 2° van de
wet van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(11) vervangen door artikel 9 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(12) toegevoegd door artikel 10 van de
wet van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 30 juni 1994
(13) vervangen door artikel 11 van de wet
van 3 april 1995 houdende aanpassing van de wet van 3O juni 1994; de wijzigende
bepaling zegt letterlijk dat het cijfer "8" vervangen wordt door het cijfer "7".
|